Texts
Every Wednesday, Sabzian publishes texts on cinema in Dutch, English or French.Chaque mercredi, Sabzian publie des textes sur le cinéma en néerlandais, en anglais ou en français.Elke woensdag publiceert Sabzian teksten over cinema in het Nederlands, Engels of Frans.
Verloren aan het einde van de wereld, in gezelschap van mijn brutale honden op mijn eiland Sal, herinner ik mij die januarimaand in Tokio, of ik herinner me eerder de beelden die ik heb gefilmd in die januarimaand in Tokio. Ze hebben nu de plaats ingenomen van mijn herinnering, ze zijn mijn herinnering. Ik vraag me af hoe mensen die niet filmen, niet fotograferen, geen video’s opnemen, zich herinneren. Hoe slaagde de mensheid er vroeger in zich te herinneren ...
The Image by the French surrealist writer Pierre Reverdy originally appeared in Nord-Sud, the literary magazine he founded in 1917 with Guillaume Apollinaire and Max Jacob. The text, quoted and recut, shows up like a refrain without reference in several of Jean-Luc Godard’s films. The crux of Reverdy’s piece is that the image, as a monolithical entity that can be isolated, doesn’t exist. “I’ve always said”, Godard said, “that images don’t exist in cinema. There is always an image before and an image after.”
L’image van de Franse surrealistische schrijver Pierre Reverdy verscheen origineel in Nord-Sud, het literaire tijdschrift dat hij in 1917 met Guillaume Apollinaire en Max Jacob had opgericht. Als een referentieloos refrein duikt de tekst geciteerd en herschikt op in verschillende films van Jean-Luc Godard. De crux van Reverdy’s stuk is dat hét beeld, als een monolithische en isoleerbare entiteit, niet bestaat. “Ik heb altijd gezegd”, zei Godard, “dat er geen beelden bestaan in cinema. Er is steeds een beeld voor en een beeld achter.”
L’image de l’écrivain surréaliste français Pierre Reverdy a paru pour la première fois dans Nord-Sud, la revue littéraire qu’il avait fondée en 1917 avec Guillaume Apollinaire et Max Jacob. Comme un refrain sans référence, le texte est cité et réarrangé dans plusieurs films de Jean-Luc Godard. Le coeur du texte de Reverdy réside dans l’idée que l’image, en tant qu’entité monolithique et isolable, n’existe pas. « J’ai toujours dit », dit Godard, « que, dans le cinéma, il n’y avait pas d’images. Il y a toujours une image avant et une image après. »
Een interview met Philippe Grandrieux
Daar waren we naar op zoek: een verontrustende film, zeer verontrustend, zeer fragiel en levendig. Geen film als een boom, met een stam en takken, maar als een veld zonnebloemen, een grasveld met gras dat overal groeit. Daar situeert zich de grootste breuk: in de manier waarop de film werd geconcipieerd. Het opzet en de totstandkoming van de film werden gebaseerd op kwesties van intensiteit eerder dan psychologische relaties.
Film wordt plots een mythologische constructie waarin enkel de diepste, innerlijke krachten tellen. Dit memorabel voorval opent de deur naar een nieuwe wereld waar ik maar al te graag wil instappen.
Als toeschouwer wil je beschermd worden tegen ‘spoilers’, die de illusie van onbeperkte mogelijkheden vernietigen. Je wil nog kunnen hopen, tegen beter weten in.
De film die niet zal worden voorgesteld in Cannes: Farrebique
Een groot deel van de poëzie die aan deze film ontspruit komt voort uit wat niet gezegd wordt, aan gezichten waarvan het innerlijke leven zich nauwelijks laat raden. Om deze krachttoer tot een goed einde te brengen was er een regisseur nodig die doordrongen was van het boerderijleven en het leven op de velden.
Wilfried Reichart About German-French Film and Television History
Wilfried Reichart shaped the WDR-Filmredaktion in various capacities, leading it from 1980 until 2004. Over the years, Reichart had several conversations with Jean-Luc Godard and grappled with his work in reviews, articles and essays again and again. Reichart: “Honestly, I have always been fascinated by this person. I like the constant rebeginning, the permanent calling into question, in order to then take another step. I find that incredibly exciting about him. This fundamental attitude. The principle of his thinking is always to say no. [...] That’s the difference between him and all the others. Rivette has always made the same films, Truffaut as well, and Rohmer very extremely so. They have all found their style and followed it through until the end of their lives. Godard is the only one who hasn’t done this.”
Op 1 maart 2018 was Luc Dardenne op uitnodiging van Sabzian te gast in Gent voor een vertoning van Le fils, een film die hij in 2002 met zijn broer Jean-Pierre maakte. Le fils (2002) is de derde uit een reeks films van de broers die aanvatte met La promesse (1996) en gekenmerkt wordt door documentaire eenvoud, lange shots die de personages dicht op de huid zitten, teder humanisme, de Luikse voorstad Seraing als vaste locatie en aandacht voor het wurgende economische determinisme van onze wereld. Dit artikel is een bewerking van de transcriptie van het gesprek met Luc Dardenne na de vertoning. Luc Dardenne: “Wat gebeurt er in de blik van iemand die gaat doden? Ik weet niet wat er gebeurt. We wilden weten wat Oliviers daad kon tegenhouden. Daarom hebben we ons op zijn rug gericht, om zo op de blik van de jongen te stoten. Het is de blik die de daad tegenhoudt.”
Le 1er mars 2018, Luc Dardenne était invité par Sabzian à Gand pour une projection du film Le fils, réalisé en 2002 avec son frère Jean-Pierre. Le fils (2002) est le troisième film d’une série entamée par les frères avec La promesse (1996) et marquée par une simplicité documentaire, de longs plans qui suivent les personnages de près, un tendre humanisme, la banlieue liégeoise de Seraing comme lieu fixe, ainsi que par une attention pour le déterminisme économique asphyxiant de notre monde. Cet article est une adaptation de la transcription de la conversation avec Luc Dardenne après la projection du film. Luc Dardenne : « qu’est-ce qui se passe dans le regard de quelqu’un qui va tuer ? Je ne sais pas ce qui se passe. Ce qu’on voulait savoir c’est: « qu’est-ce qui arrête le geste d’Olivier ? ». C’est pour ça qu’on s’est mis sur son dos pour tomber sur le regard du gamin. C’est le regard qui arrête le geste. »
Mise-en-scène, een beeld maken, dekt de wereld niet af, maar steeds weer de loop van andere valse mise-en-scènes. Beeldmateriaal blijft een solipsistisch circuit, een gesloten kooi. Mise-en-scène is de kooi openzetten waardoor de wereld naar binnen kan vliegen – en voor de toeschouwer naar buiten, naar hem toe.
In Conte d’été (1996) vertelt Éric Rohmer met kleuren. We zien blauwe lucht, grijs zand, rode kledij en roze lijven.
Een gesprek met David Koepp
Ik heb die slaafse verering van de realiteit altijd een beetje mysterieus gevonden. Ik weet niet waarom dat gebeurt. Mensen zeggen dan, “Wel, dat lijkt niet erg realistisch”. Je zit in een ruimte met honderden vreemden, je kijkt naar een projectie op een scherm. Daar is niets realistisch aan, het is allemaal fake. De actrice is niet echt. Het is allemaal niet echt, niets ervan is echt. De kleren die ze dragen, de manier waarop ze leven, de make-up, het is allemaal fake. Een grote fan van de realiteit ben ik nooit geweest. Ik denk dat we net daarom naar verhalen kijken.
A Conversation with David Koepp
I have always found the slavish devotion to reality a bit of a mystery. I don’t know why. People say: “Well, that doesn’t seem very realistic.” You are sitting in a room with a hundred of strangers, looking at a projection on a screen, there is nothing realistic about that, it is all fake. The actress is not real. This is all fake, every bit of it. The clothes they have on, the way they live, the make-up, it is all fake. I have never been a big fan of reality. I think that’s why we watch stories.
Werken aan La captive met Chantal Akerman: een gesprek
De Belgische regisseur, schrijver en filmtheoreticus Eric de Kuyper ontmoette Chantal Akerman voor het eerst in zijn hoedanigheid van filmtheoreticus in 1968. Niet alleen werden ze vrienden en bleven ze dat voor het grootste deel van hun leven, ze werkten ook nauw samen aan verschillende projecten, waaronder La captive (2000). Eric de Kuyper: “Toen ze me in 1999 vroeg om aan een Proustbewerking te werken, was ik verrast. Ik had het net herlezen, met veel meer genoegen dan de eerste keer, en ik was benieuwd om te achterhalen hoe ze deze complexe en labyrintische roman zou aanpakken.”
Decasia is een memento mori voor filmkunst én filmkijker. Ooit waren deze beelden vertier dat de tijd verdreef. Nu teren de beelden op die tijd, en herinneren ze de kijker hoe ook hij ooit verdrijven zal.
Wanneer Rossellini cinema verruilt voor televisie begeeft hij zich op vijandelijk terrein om hem te bevrijden van ideologische overheersing. Hij reageerde op de televisie zoals de antifascistische verzetstrijders uit Roma, città aperta (1945) op hun vijand reageerden. “Al deze televisiefilms maken deel uit van een cinematografisch project dat nauwelijks zijn gelijke kent, een project dat kunst, filosofie en wetenschap tracht te verenigen door middel van de revolutionaire activiteiten van historische figuren zoals Socrates, Leon Battista Alberti, René Descartes, Blaise Pascal en Jezus Christus.”
De cinema stortte zich met een enorme roofzucht op haar prooi en bestaat tot nu toe voornamelijk voort op het lichaam van haar ongelukkige slachtoffer. Maar de resultaten zijn verwoestend voor beide. Het verbond is onnatuurlijk. Oog en brein worden genadeloos uit elkaar gerukt, wanneer zij tevergeefs als paar proberen samen te werken.
The cinema fell upon its prey with immense rapacity, and to the moment largely subsists upon the body of its unfortunate victim. But the results are disastrous to both. The alliance is unnatural. Eye and brain are torn asunder ruthlessly as they try vainly to work in couples.
Een Straussiaanse lezing van Black Panther
In navolging van de Black Panther-comics schaakt de film die naam – zonder ooit rechtstreeks de echte Panthers te vermelden – in een eenvoudig maar daarom niet minder meesterlijk manoeuvre van ideologische manipulatie, zodat de eerste associatie nu niet langer de vroegere radicale militante organisatie is, maar een superheld-koning van een machtig Afrikaans koninkrijk. Beter gezegd, er zijn twee Black Panthers in de film, koning T’Challa en zijn neef, Erik Killmonger. Ze staan elk voor een verschillende politieke visie.
In How Green Was My Valley (1941) voert John Ford personages op die zorg dragen voor elkaar en de wereld die hen omringt. Zoals het ware bekommernis betaamt, kiemt deze eerst en vooral in kleine gebaren; glimlachen gaat hand in hand met tegenspreken, een schouderklop moet niet onderdoen voor een vuistslag.
Hanekes Happy End
De wereld in Happy End is niet de wereld die we graag zouden willen zien of waarvan we denken dat hij er moet komen. Happy End is het verhaal van het reëel bestaande neoliberalisme – de wereld van Emmanuel Macron, Angela Merkel, Hillary Clinton en Aylan Kurdi. Het is een verhaal over klassenverhoudingen, meer dan een eenzijdig portret van een ontaarde burgerij. Bovenal stelt hij de vraag: hoe verbeelden wij de componenten van de negentiende-eeuwse novelle – burger, arbeider, dienstmeisje, huisvrouw, kind – in een wereld waarin hun cultureel universum is ingestort?
Interview with Jean-Luc Godard
“I only started out in cinema when I was about thirty, and for me, my life or my thoughts have always been lagging behind cinema. Like, if it were a train, cinema would be the locomotive and politics and all that would be the last carriage. It is from For Ever Mozart and mostly Film socialisme onward that it started to be both at the same time. In my personal life as well, how my personal life has joined my cinematographic life.”
In de films van Rivette vormen ontmoetingen het hart. Zijn films zijn als choreografieën van menselijke relaties. Toch is hij graag alleen wanneer hij niet aan het filmen is. Dan zien vrienden hem in de verte lopen, op weg naar een cinema. Of zien ze hem de stilte van de filmzaal met zich mee naar huis dragen. Daney merkt op dat Rivette wellicht alleen is, maar dat hij vanbinnen bevolkt is. In Le veilleur wordt gepeinsd, geassocieerd, geflaneerd en voor de duur van de film gaan ook mijn eigen gedachten aan het kuieren. Zo kwam ik terecht bij een film die een tegengestelde is van de films van Rivette.
When your voice appears on top of the images telling the viewer an anecdote that inspired the title of the film: how when in New York you listen to Palestinian hip-hop and when in Palestine you listen to the blues, you reveal your road trip’s soundtrack. By sharing this snippet of information, you set a tone for the film and the journey. It’s personal. With this letter, I’ve decided to lose the third person, avoid the banal (re)writing of a press release and allow this bid to speak nearby your work to be personal too.
Vertical cinema, films that walk. Horizontal cinema, films that are recumbent. Between them is a time outside time, the same duration alien to the laws of work, of reason and of health. How, and until when, can a life be extended once it seems to have left itself behind? What virtual actions remain latent within what appears to be the most complete inaction? From indefatigable walking to the fatigue of the recumbent, the spectacular reversal of postures is also accompanied by a shared perseverance: Wang Bing’s gesture consists in disengaging from the core of exhaustion the ultimate fragments of the possible.
Onder de brandende namiddagzon is hij getuige van een cryptische sleutelscène: Odysseus staat voor de camera van de zichtbare filmploeg, het zwaard in zijn rechterhand reikt tot de hemel.
Cinéma vertical, films qui marchent. Cinéma horizontal, films qui gisent. Des uns aux autres s’ouvrent le même temps, la même durée étrangère aux lois du travail, de la raison et de la santé. Comment, et jusqu’à quand, une vie peut-elle se prolonger, à partir du moment où elle semble comme sortie d’elle-même ? De quelles virtualités d’action l’inaction a priori la plus complète est encore grosse ? De l’infatigable marche à la fatigue des gisants, s’il y a un spectaculaire bouleversement des postures, se développe aussi une commune persévérance : le geste de Wang Bing dégage d’ultimes fragments de possible du cœur de l’épuisement.
Op een bepaalde manier hadden al die wonderbaarlijke camerabewegingen van Kenji Mizoguchi langs decors en acteurs iets te maken met het idee van de Japanse kalligrafie, een daad van levensbelang, zoals ademhaling of energie – energie is namelijk de hoeveelheid inkt op het penseel, waarna de ademhaling volgt, het inademen langzaam op gang komt en op het witte blad de wereld opnieuw geboren wordt.
Interview met Ruben Desiere
“De bank in La fleurière ziet er niet echt uit, maar is tegelijk onmiddellijk herkenbaar. Misschien staat het daarom buiten de tijd, omdat die kluis iets heeft van een archetypische kluis, een kluis zoals een kind ze zou tekenen.”
Over Wang Bings Fengming: a Chinese Memoir
In het midden van de film gebeurt er iets geniaals, waardoor we uit Fengmings verhaal naar het heden worden gesleurd. Op een bepaald moment onderbreekt Wang haar om te vragen of het licht eventueel aan zou mogen. Het gesprek begon in de vooravond en zonder dat we het als kijker echt beseffen, is Fengming ondertussen volledig in het duister gehuld. Haar ‘heden’ is verdwenen.
De arme mise-en-scène van Wang Bing
Wang Bings werk echoot Johan van der Keukens gedachte dat cinema “alles kan zijn, maar niets IS, behalve een oog en een oor.” Dus in de eerste plaats wandelen, de ogen en oren openen met arme middelen, waarin Wang Bing zowel genereus aandacht geeft als streng aandacht eist. “Ik kijk en luister hier en nu: kijk en luister!”
Over My Crasy Life (Jean-Pierre Gorin, 1992)
My Crasy Life spreekt zich, in de wijze waarop erin gesproken wordt, uit over taal: over wijzen van spreken. Of er nu gesproken wordt in gebaren (via blad-steen-schaar, via handshakes en gang signs), in woorden (Samoaans, slang of Amerikaans Engels) of in computerdata: Gorin vertaalt het vertelde volgens een cinematografische grammatica die de complexiteit van de hedendaagse Amerikaanse samenleving omhelst.
Wang Bing’s film is at once epic and intimate – epic because of the sheer scale of the constructions, and the long, straight railroad tracking shots Wang employs to render its geography; intimate because of its focus on the daily life of the last workers and the soon-to-be displaced. Wang’s film is not journalistic in that it does not show us, for example, the bureaucrats who made the various life-altering decisions, and it doesn’t show the rest of Shenyang – the bourgeois neighborhoods, shops, hotels, highways.
In Wanda, everything remains en suspens, Loden’s shots begin a bit too soon, last a bit too long. The dictatorial “Action!” and “Cut!” of the director – bellowed out with such sadistic authority – is here prefaced by a “maybe”. The frame, too, is here too wide, there too narrow. Each shot unravels at edges. There is no other way to escape the constraint of the film set except to act carefully, as if you know nothing about it.
Gevangen binnen de eigen lijnen
Het lijkt alsof we er getuige van zijn hoe Christian zich niet voorbij de grenzen van zijn eigen burgerlijkheid waagt, maar is het in werkelijkheid niet de film zelf die er niet in slaagt die grens over te steken? Het kader van de film is zo bepalend dat uit- of inbreken onmogelijk wordt: het andere kan enkel binnen het eigen burgerlijk kader anders zijn. De filmische ruimte versterkt enkel het isolement dat het pretendeert aan te vallen.
Esthetiek en politiek in de films van de broers Dardenne
La caméra à la nuque betekent filmen in de modus van de obsessie en het verlangen van de personages; het is overweldigend, het achtervolgt je, het peilt je. Het is de fictionele camera die richting geeft en die het politieke wil laten zien van een werkelijkheid die tegelijk dichtbij en veraf staat van onze eigen sociopolitieke wereld. Via deze omweg wordt de werkelijkheid getoond van onze plek als historisch en gesitueerd subject, die altijd al in relatie met de Ander staat.
ou esthétique et politique dans le cinéma des frères Dardenne
La « camera à la nuque » filme à la mesure de l'obsession et du désir des personnages ; elle est envahissante, elle poursuit et elle sonde. C’est la caméra fictionnelle qui oriente et cherche à faire révéler le politique d'une réalité à la fois lointaine et proche de notre monde sociopolitique et qui, par ce biais, souligne la réalité de notre position de sujet historique situé et toujours déjà en relation avec l'Autre.
Deel 2
Twee lichamen gescheiden door iets wat wij niet weten. Gebaren, bewegingen, blikken die onophoudelijk de afstand meten die hen scheidt en tegelijkertijd de kracht van het geheim dat hen nader tot elkaar brengt. Dat is wat we moeten proberen te meten met onze camera.
Partie 2
Deux corps séparés par quelque chose qu’on ignore. Des gestes, des mots, des regards qui ne cessent de mesurer la distance qui les sépare en même temps que la puissance du secret qui les rapproche. C’est cela qu’il faudra tenter de mesurer avec notre caméra.
Deel 1
Naar buiten gaan. Gewoon naar buiten gaan. Iets tegenkomen, iemand, een materie, een oppervlak, een vreemd, onbekend lichaam, eender wat, maar uit mezelf treden, geraakt, ontroerd worden. Ik ben het beu om binnen te zitten.
Partie 1
Sortir. Simplement sortir. Rencontrer quelque chose, quelqu’un, une matière, une surface, un corps étranger, inconnu, je ne sais quoi mais sortir de moi-même, être atteint, touché. Je n’en peux plus d’être à l’intérieur.
En met die toegenomen gevoeligheid wordt op zijn beurt ons denken versterkt. De duisternis van de cinema als een onmetelijke serre. Wanneer je buiten komt na zo’n ‘tropische’ cinema-ervaring – buiten in de echte wereld – is er dit onmiskenbare, maar onmogelijk precies te omschrijven besef: iets is gedraaid, verdraaid, iets heeft zich verlegd.
Et grâce à notre sensibilité désormais accrue, c’est notre pensée qui se renforce à son tour. L’obscurité du cinéma est comme une immense serre. Lorsqu’on sort d’une telle expérience cinématographique « tropicale », en retournant au monde réel, on réalise de façon incontestable mais sans pouvoir le décrire que quelque chose s’est torsionné, a changé, que quelque chose s’est déplacé.
And with this increased sensitivity, our thinking is reinforced in turn. The cinema’s darkness as an immeasurable greenhouse. When leaving this ‘tropic’ cinema experience – outside in the real world – there is an undeniable awareness, impossible to specify: something has turned, twisted; something has shifted.
Th[e] introductory intertitle, […] allows us to read in Sunrise (1927), far more than its inconsistent “philosophical” pretext, its major signifying articulations – namely, an in order of appearance: dramatis personae, but not characters in the traditional sense (the absence of names reduces the introduction of individuals to pure roles, networks of functions and attributes); time, but not history (the narrative refuses any relation to a real chronology, any temporality beyond the segmentation on which it is founded: the times of day); places, but not geography (purely fictive locations, referring to no extra-filmic reality); and finally the film’s tones, the curious “mix of genres” it produces.
Aan het eind van zijn Dunkirk onderneemt de Engelse cineast Christopher Nolan iets gedurfds.
In The Day He Arrives, a soju-fueled cross between Last Year at Marienbad and Groundhog Day, Yoo Seongjun, a lapsed director self-exiled to the provinces, roams the streets and bars of Seoul much as X wanders the hallways and gardens of Marienbad, through an endless repetition of settings, characters, and incidents, each reiteration calling previous accounts into question. “I don’t remember a thing,” the bar owner Ye-jeon insists after Seongjun apologizes for what something he has just done, her protestation recalling A’s many disavowals of the past in Marienbad. Whose version does one trust: his, hers, neither?
Dit verhaal is eerst en vooral geluid: geluiden van de bus en de metro, geluiden van neervallende bomen en van creperende dieren, geluiden van deuren die langs alle kanten klapperen en kraken, het finale geluid van de revolver van ‘de vriend’ die door Charles betaald is en hem doodt in de duisternis van Père-Lachaise. Kwellend geknars en geknal. Tevergeefs bedekt Charles zijn oren. De wereld waarin hij leeft, is gemaakt van kabaal zonder betekenis, absurd en overweldigend. Het overschreeuwt de menselijke stemmen, die zijn als korte zinspelingen tussen al het gekrijs van brutale en gebrutaliseerde dingen.
Cette histoire, ce sont d’abord des bruits : bruits de bus et de métro, bruits d’arbres et d’animaux abattus, bruits de portes qui de tous côtés claquent et grincent, bruit final du revolver de « l’ami » qui, payé par Charles, le tue dans l’obscurité au Père-Lachaise. Craquements et claquements obsédants. En vain Charles se bouche les oreilles. Le monde où il vit est fait de ces bruits sans message, absurdes, envahissants.
Hong Sangsoo zal deze referentie naar Cézanne, die hij vaak aanhaalt, kunnen waarderen, alsook mijn bedachtzaamheid als ik over hem spreek. Hij is als een geschonken boek, waarvan we ontdekken dat bepaalde bladzijdes zorgvuldig zijn uitgescheurd en dat zodoende plotseling alles ontbreekt. Zijn films hebben onze toestemming niet nodig, ze eisen een totale omarming.
Hong Sangsoo will appreciate the reference to Cézanne, whom he often quotes, and my caution when talking about him. He is like an offered book, of which we discover that certain pages have been carefully torn out and therefore everything is suddenly missing. His films don’t need our agreement; they require total rallying.
Poetic by its precision, attentive to duration, to the uncertainty of the moment, to outlined movements and to what they betray or control: Hong Sangsoo’s cinema seems to consist only of details, of contingent moments that suddenly get out of hand or explode. “I never aim for generalization; there’s never a global view on society at the origin of a film or even a shot. It seems to me that reality can only appear between the cracks of discrete, hypothetic, uncertain elements. I am wary of clichés and big expressions. I do not believe, for example, that something we could call ‘the’ contemporary Korea exists. I never try to share a truth, but only approximations.”
Poétique à force de précision, attentif aux durées, aux incertitudes de l'instant, aux mouvements esquissés et à ce qu’ils trahissent ou réfrènent, le cinéma de Hong Sangsoo semble n’être constitué que de détails, de moments contingents, qui soudain dérapent ou explosent. « Je ne vise jamais la généralisation ; le point de vue global sur la société n’est jamais à l’origine d’un film, ou même d’un plan. Il me semble que la réalité ne peut apparaître qu’entre les interstices d’éléments discrets, hypothétiques, incertains. Je me méfie des clichés et des grandes phrases, je ne crois pas, par exemple, qu’il existe ce qu’on pourrait appeler “la” Corée contemporaine. Je ne cherche jamais à faire partager une vérité, mais des approximations. »
De documentaire Caniba (2017) van Lucien Castaing-Taylor en Véréna Paravel bestaat nagenoeg volledig uit close-ups. Anderhalf uur lang zitten we Issei Sagawa ongemakkelijk dicht op de huid. Deze veroordeelde kannibaal doet hortend het verhaal van zijn vreemde voorkeuren.
Er is geen wezenlijke vorm of inhoud voor cinefilie, maar misschien is er iets als een wezenlijk cinefiel proces of cinefiele geste. Laat me het zo stellen: cinefilie is een oorlogsmachine; een tactische, culturele oorlogsmachine. Het gaat altijd om een andere oorlog en altijd om een andere machine, afhankelijk van waar je bent en wanneer, met wie je vecht en waartegen. In die zin kan alles dat mensen over cinefilie hebben gezegd – dat het melancholisch of surrealistisch is, of om het even wat – waar zijn, als het past in een specifieke cinefiele geschiedenis, en als je dat verhaal goed kan vertellen, als je het een mobiliserende kracht kan geven.
Il n’y a pas de forme ou de contenu essentiel de la cinéphilie, mais peut-être qu’il y a quelque chose comme un processus ou un geste essentiel de cinéphile. Je vais le dire de cette façon : la cinéphilie est une machine de guerre ; une machine de guerre, tactique et culturelle. Toujours une guerre différente et toujours une machine différente en fonction d’où et à quel moment vous êtes, d’avec qui vous vous battez, et contre qui vous vous battez. En ce sens, tout ce que les gens ont dit de la cinéphilie – que c’est mélancolique ou surréaliste ou autre chose – peut être vrai, si cela correspond à un morceau particulier de l’histoire de la cinéphilie, et si on peut bien en raconter l’histoire, et si on peut lui donner une énergie mobilisatrice.
Kelly Reichardt en Certain Women
Certain Women maakt subtiel het onderscheid tussen zelfstandig besliste trajecten en trajecten die opgedrongen of georganiseerd worden door anderen – laten we eerlijk zijn: door mannen. Kadreren is het grote avontuur, ieder discours wordt door Reichardt vermeden. De decoupage is een skelet dat belichaamd wordt met lucht en licht, met de rusteloze aanwezigheid van de acteurs – de interieurs zijn doorspekt met ramen, met voorruiten, met vensters die de ruimte onthullen en haar openen naar licht, lucht, de beweging buiten en naar het weer.
Als inwoner van Oost-Beiroet zag Operator #17 nooit eerder de zon ondergaan in zee; hij vergeet zijn spionageopdracht en richt de camera elke avond enkele minuten op dit voor hem adembenemende spektakel. Zo wordt deze zonsondergang het beeld van zijn eenmansverzet: niet om wat het toont – de zon – maar om wat het weigert te doen.
Kelly Reichardt et Certaines femmes
Chez Reichardt, les actrices, jamais statiques, électrisent les cadres comme les trains électrifient le paysage. C’est une cinéaste qui raconte les trajets comme inévitables. Qui happent les personnages. À travers le trajet physique et anxieux, pas seulement mais singulièrement de femmes, elle élabore sa prose, fouettée par l’air, son « lieu descriptif », où la durée et le mouvement sont favorables à la remontée de trésors expressifs sur la peau, dans la démarche et le regard des actrices.
Le film qui ne sera pas présenté au festival de Cannes : Farrebique
Une grande partie de la poésie qui jaillit de ce film tient à ce qui n’est pas dit, à ces visages dont la vie intérieure se laisse à peine deviner. Il fallait pour réaliser ce tour de force un metteur en scène imprégné de la vie des fermes et des champs.
Het leven is absoluut nabij, een nabijheid die menselijke wezens niet kennen, en tegelijk een stomme getuige, een afstand die de mens in zijn greep houdt.
Er is geen gebrek aan zogenaamd realistische films, zowel van de fait divers- als van de slice of life-soort. Er is zelfs geen gebrek aan boerenfilms. Waarom wordt Farrebique dan toch als de vreemde eend in de bijt beschouwd? Volgens mij is dit toe te schrijven aan het talent van Rouquier, aan zijn ei van Columbus. Hij heeft begrepen dat geloofwaardigheid langzaam de plaats had ingenomen van de waarheid, dat de realiteit is opgelost in realisme. Hij is de moeizame onderneming gestart om de realiteit te herontdekken, om haar terug aan het licht te brengen, om haar in haar naaktheid te redden uit het moeras van de kunst.
Nous ne manquons pas de films dits réalistes, du genre fait divers et tranche de vie. Nous ne manquons même pas de films paysans. Pourquoi Farrebique fait-il figure de canard dans une couvée de poussins ? C’est là qu’intervient à mon sens le trait de génie de Rouquier, son œuf de Christophe Colomb. Il a compris que la vraisemblance avait pris peu à peu la place de la vérité, que la réalité dissoute dans le réalisme. Il a laborieusement entrepris de la découvrir, de la ramener au jour, de la sortir toute nue du puits de l’art.
Men zou alleen naar de mensen kunnen kijken, oneindig lang, om zijn omgang met hen te begrijpen en om te beseffen dat morele helderheid en oprechtheid onontbeerlijk zijn voor dit soort werk, en om met meer minachting dan ooit tevoren te beseffen hoe in onze tijd consequent zogenaamd eenvoudige mensen, fictief en niet-fictief, bewust en onbewust beledigd en verraden worden door kunstenaars en toeschouwers: het lijkt alsof werkelijk niemand nog in staat is een ander recht in de ogen te kijken. Maar deze man wel; en dit is het prachtigste en sterkste document van werkelijke mensen dat ik ooit heb gezien.
Whether or not this film is fully as great as it might have been, it is one of the finer works in the whole great line of rural art which extends backward through Van Gogh and Brueghel to the Georgics and to the Works and Days. It combines the cold deep-country harshness of Hesiod with a Vergilian tenderness and majesty; and its achievement is wholly of our time, through that reverence for unaltered reality which can be translated into a work of art only through the camera.
Farrebique van George Rouquier
Daarom is deze film een groot kunstwerk. Het eeuwige is immers enkel te bereiken via het heden: de beste kans om de tand des tijds te doorstaan is om radicaal een kind van zijn tijd te zijn.
Farrebique, de Georges Rouquier
C’est pourquoi ce film est une grande ouvre d’art. Car on n’atteint l’éternel que par le présent : la meilleure chance de durer est bien d’être profondément de son temps.
Gedurende die eerste periode wou hij de fysicus van de fotogenie zijn, gedurende de tweede werd hij er de chemicus van. Voor die proefnemingen mocht de regisseur het groot publiek gerust links laten liggen. Ook werd de film hoe langer hoe ontoegankelijker voor de menigte, verstaanbaar en genietbaar alleen voor een kleine kring van ingewijden. Toen die proeven hem echter een grondige kennis van de techniek hadden bezorgd, keerde de regisseur vanzelf weer terug naar de natuur, naar de mens. Hij kwam weer op straat. Niet de straat van het studio boeide hem, de straat van karton, maar de echte straat waar het leven in duizend vormen krioelt, waar het kan opgevangen en rechtstreeks gefilmd worden.
Met de behendigheid van een aap speelde hij virtuoze slagpartijen met de naast zijn piano opgestelde objecten: neppistolen voor de revolverschoten van de passiemoord, castagnetten voor de hoeven van de paarden, voor de klank van de golven: loodkorrels die over een canvas streken, met emmers water en sponzen bootste hij de klank van regendruppels na. Hoog in mijn kleine kamer aan de andere kant van de straat kon ik de klanken van de piano horen, waaruit ik dan kon opmaken om welk genre film het ging: een komische farce, een burgerlijk drama, een sentimentele komedie, of zelfs een geweldige storm op zee, of de galop van losgeslagen paarden.
Een film van Chantal Akerman
De dag waarop ik heb beslist na te denken over de toekomst van de cinema, heb ik bij mezelf gedacht dat ik die niet zou meemaken. Ik heb me afgevraagd of de toekomst altijd voor ons ligt. Toen heb ik voor mij uit gekeken, vervolgens heb ik mij omgedraaid.
We maken dikwijls films op basis van films die we gezien hebben toen we jong waren, zoals we beginnen te schrijven omdat we enthousiast zijn over romans of dichters die we hebben gelezen. Als adolescent was ik geïnteresseerd in twee zeer verschillende soorten cinema: in zeer agressieve, revolutionaire, bloederige, seksuele films die de uitdrukking waren van een zekere verscheurdheid of moeilijkheid van het leven en tegelijkertijd, op hetzelfde moment, in films die juist vertelden over de aanvaarding van de condition humaine. Ik denk bijvoorbeeld aan de films van Ozu, die misschien wel een van de grootste meesters is in het vertellen over de dagelijkse aanvaarding van de menselijke conditie. In de films die ik heb gemaakt, heb ik dus behoorlijk regelmatig deze twee ingrediënten – die niet samengaan – gemengd.
On fait souvent des films à partir des films qu’on a vus quand on était jeunes, de même qu’on se met à écrire parce qu’on a été passionné par des romans ou des poètes qu’on a lus. Adolescent, j’ai été passionné par deux types de cinéma très différents l’un de l’autre : à la fois par des films très agressifs, révolutionnaires, sanglants, sexuels, qui exprimaient une déchirure, une difficulté de vivre, et en même temps, au même moment, par des films qui racontaient, au contraire, l’acceptation de la condition humaine. Je pense par exemple au cinéma de Ozu, qui est peut-être par définition un des grands maîtres qui raconte au quotidien l’acceptation de la condition d’homme. Et donc, dans les films que j’ai faits, j’ai assez régulièrement mélangé ces deux ingrédients qui ne vont pas ensemble.
The Neon Demon is a textbook example of those supremely ‘relevant’ films, guaranteeing and commercialising subversion as a calculated effect. Refn offers us a neatly prepacked metaphor, supplemented with an astrological index that can help us in ‘decoding’ our product – even before the slightest attempt at interpretation is waged. By way of an absurd faith in difference, however, a ceaseless repetition of the Same ensues: an alternation which, above all, serves to camouflage a true sense of change. The director can but excel in the reproduction of his personal obsessions. Not without surprise, his films are as ephemeral as the world they claim to depict.
Without any sense of scruples, contemporary viewers are asked to consume an “unfiltered everyday”, gowned in the guise of a “mythical seriousness”. The mendacious diversitarian theatre enacted by El Arbi and Fallah – which attempts to import an allegedly ‘copious’ but ultimately imaginary world into the cosy, autochthonous bedroom – can only be celebrated by grace of a critical suicide.
Een praktijk van politieke cinema
Op het eerste gezicht lijkt het een tegenstrijdigheid, een historische ironie: Jean-Louis Comolli – de redacteur van Cahiers du Cinéma tijdens hun althusseriaans-marxistische periode in de late jaren zestig en vroege jaren zeventig, de auteur van enkele van de belangrijkste kritische teksten over het ideologische karakter van de ‘realiteitsimpressie’ in cinema (‘Cinéma/idéologie/critique’, een redacteursmanifest dat mede ondertekend werd door Jean Narboni, en de reeks artikelen ‘Technique et idéologie’) – die zich ontpopt heeft tot een productieve en hoog aangeschreven filmmaker, met een filmografie die loopt van de jaren zeventig tot nu en die meer dan vijftig werken omvat, zowel voor cinema als voor televisie. Is deze overgang van filmtheorie naar filmpraktijk een verbluffende ommezwaai, een daad van theoretische afvalligheid tegenover de revolutionaire geest na ’68 – zoals gewoonlijk het geval is bij voormalige soixante-huitards? Geenszins.
A Praxis of Political Cinema
At first it seems like a contradiction, a historical irony: Jean-Louis Comolli – the editor of Cahiers du Cinéma during its period of Althusserian Marxism in the late 1960s and early 1970s, the author of some of the most important texts to critique the ideological nature of the “impression of reality” in the cinema (‘Cinéma/idéologie/critique,’ a manifesto-editorial co-signed with Jean Narboni, and the series of articles ‘Technique et idéologie’) – has gone onto become a prolific, highly regarded documentary filmmaker, with a filmography that stretches from the 1970s to the present day and includes more than fifty titles, made for both cinema and television. Is this transition from film theory to film practice a stunning volte-face, a theoretical apostasy from the revolutionary ethos of the post-1968 era, so common among other soixante-huitards? Nothing of the sort.
De mythe van deze cinemavorm is het collectieve creatieproces dat zich afspeelt in volle vrolijkheid en spontaniteit, waaraan iedereen ‘deelneemt’. Ik denk dat dit niet klopt. Het is daarentegen iets wat zich afspeelt in een relatief gespannen sfeer omdat niemand weet waar we zijn, iedereen verdwaald is, we allemaal in het duister tasten, de acteurs, de technici, de cineast. We weten echt niet wat er gebeurt. Ik denk dat de enig mogelijke houding in dat geval is om een perspectief aan te nemen voorbij goed en slecht – iets wat ik zo goed en zo kwaad mogelijk heb geprobeerd te doen. Je moet bijna weigeren om op het moment zelf te oordelen over wat er gedraaid wordt. Er zijn momenten waarop je het gevoel hebt dat je alles moet laten verdergaan en andere momenten waarop ik me toch plots vastbijt in een detail: het moet zo, op dit moment moet het personage precies dat zeggen.
On the Films of Chantal Akerman
I come to perceive the screen as a wall (which it is) in front of which I myself have to assume an attitude and a position. I come to find myself on my own and in my own time. I have to determine my own shot, my way of watching and my use of time. If need be I can exercise patience and wait for the next sequence (as one ‘waits for a bus’). But such an attitude renounces enjoyment. I can spend this time much better by watching instead of seeing – and I can watch in such a way that I forget that I’m waiting for something (e.g. for a bus).
Net als de Tramp past Wendy niet in de gevestigde orde, maar de anarchie die Chaplins zwerver kon stichten, even rigoureus als zinloos, is tenietgedaan.
Vandaag, heel wat jaren later, heeft een Amerikaanse cineast, Gus Van Sant, weten te begrijpen dat een beheerst en systematisch soepel gebruik van de Steadicam de basis zou kunnen vormen voor een volkomen nieuwe analytiek van alledaags geweld. Dat is de grootste vernieuwing van Elephant.
Alle films van Akerman gaan over tussenruimtes, de ruimte tussen leven en dood, openbaar en particulier, een geschiedenis die ophield te bestaan en een geschiedenis die zich nog niet heeft aangediend, die te laat is en op zich laat wachten, de ruimte tussen twee landen.
“Maar is Mudar de vida niet, ondanks alle stoutmoedigheid, een bijna antimoderne film? De dialogen zijn een soort van parelsnoer die een ritme, een cadans eisen, geleid met harde hand ... De zee en de rivier, in hun tegenstellingen, laten geen overtolligheid of stijlfiguren toe, het drama komt voort uit het verleden, het heden is ‘ternauwernood’ een heropzoeken van mensen, van plaatsen en van oude gevoelens.”
Terwijl broer en zus slapen in het hooi gebeurt er iets eigenaardigs. Naast de schuur, achter een struik plooit de hemel. De nacht golft als het zeil van een schip.
A Conversation with Jacques Rancière
“Fiction is everywhere. The question is: where do we situate the starting point of fiction? What kind of arrangement makes something happen? In a way, we can say there is fiction whenever there is some kind of narrative that tells, or shows, us that something is happening. That’s why, in my recent work, I have mostly been interested in exploring the edges of fiction, the edge between nothing happens and something happens.”
Still, upon sauntering through the large and wide-ranging selection of pictures large and small, framed and unframed, hung high and low, or spread out on tables, I started to perceive Wolfgang Tillman’s show, 2017, as equally marking this moment in time, when high resolution camera phones have become completely ubiquitous.
Al haar uitspattingen konden haar dus niet echt bezoedelen, in haar fantasie bleef ze haar vaders schatje. Zijn liefde voor haar garandeerde dat er in haar een onaantastbare, zuivere kern bewaard bleef.
Vrijwel iedereen die over Minnelli heeft geschreven, omschrijft hem als een paradoxaal fenomeen, deels een dienaar van de industrie en deels een onorthodoxe stilist. Sommige schrijvers verklaren de paradox als een ‘diepstructureel’ effect van de Amerikaanse ideologie en andere als een teken van de eigen gespleten houding van de regisseur ten opzichte van zijn materiaal. Hoe dan ook, Minnelli wordt gewoonlijk beschouwd als zowel een conformist als een individu, zowel een loyale werknemer van het bedrijf als een kunstenaar.
Virtually everyone who has written about Minnelli describes him as a paradoxical phenomenon, partly a servant of the industry and partly an unorthodox stylist. Some writers explain the paradox as a ‘deep-structural’ effect of American ideology, and others as a sign of the director’s own divided attitude toward his material. In either case, Minnelli is usually regarded as both a conformist and an individual, both a company man and an artist.
Op onbehaaglijke wijze twijfelt de film tussen een visie van de Eerste Wereldoorlog als een manicheïstische strijd tussen kosmische krachten of een onvermijdelijk teken van menselijk onvermogen. Beide opties duiden bovenal op een historische hulpeloosheid, die al te evenredig is met het hedendaagse onvermogen om zich historisch te situeren. Enkel een god kan ons verlossen uit de nachtmerrie genaamd geschiedenis.
Daech, le cinéma et la mort door Jean-Louis Comolli
“Als gevolg van hun inschrijving in een kader, en hun verloop over een specifieke tijdsduur, behoren de ISIS-clips wel degelijk tot de categorie van de cinema.” Dit gegeven, zo geeft Comolli grif toe, “ontzet mij, en richt ten gronde wat van mijn jonge cinefilie overblijft, maar het is een feit.” Wat in lijn met Comolli’s voorgaande theoretische werk een titanenstrijd tussen twee vijandige systemen (cinema tegen het spektakel) zou kunnen heten, wordt hier eerder voorgesteld als een audiovisuele burgeroorlog binnen de cinema zelf (cinema tegen cinema).
Zijn moeder ziet minder in waarom de wereld hen plots zo weinig gunt, en vraagt hem nog hoopvol en naïef: “Later, when this is blowed over… you’ll come back?”
Over Antonioni’s Blowup
De fotograaf slaagt er niet in het bestaan van het lijk tot de goegemeente te laten doordringen omdat het in zekere zin ‘niets’ is. Het is slechts zijn eigen grijpgrage blik: iets dat hij dus nooit kan zien, iets dat zich aan het veld van het zichtbare onttrekt. Zijn eigen blik is een blinde vlek in zijn gezichtsveld die strikt genomen de vorm van eender welk object kan aannemen.
“This was also the case with Killer of Sheep: its objective was to change the perception of people of colour, in spite of what Hollywood had created, this myth, and to give voice to people who didn’t have access to Hollywood to tell their story. The film was made for multiple reasons: to demystify filmmaking in the community and to introduce filmmaking to kids, notably by having children work on the sound and on other technical aspects of the film. We wanted to show people who were interested in making a change in the community, to use film as a means for social change.”
Elke andere kunstvorm viert het leven, het schone, het ideaal, en heeft een progressief effect – behalve de Amerikaanse cinema. De situatie is van die aard dat je steeds gevraagd wordt om je integriteit aan te tasten, en als de sociaal georiënteerde film eindelijk gemaakt wordt, zullen de vertoningen doorgaans beperkt zijn en zullen zij voor wie de film gemaakt is en over wie hij gaat, hem waarschijnlijk nooit zien. Om filmmaken levensvatbaar te maken, heb je de steun van de gemeenschap nodig; je moet deel worden van haar agenda, een aspect van haar voortbestaan.
Any other art form celebrates life, the beautiful, the ideal, and has a progressive effect – except American cinema. The situation is such that one is always asked to compromise one’s integrity, and if the socially oriented film is finally made, its showing will generally be limited and the very ones that it is made for and about will probably never see it. To make filmmaking viable you need the support of the community; you have to become a part of its agenda, an aspect of its survival.
Waarom is Federico Fellini’s La dolce vita (1960) zo veel beter en strenger dan La grande bellezza (2013) van Paolo Sorrentino?
Een gesprek tussen Nina Power en Geoffrey Nowell-Smith
De vraag die rijst vanuit een eenentwintigste-eeuws gezichtspunt is: welke film is eigenlijk het meest subversief? Het schandelijke La ricotta, dat in zijn aanval op de filmindustrie en verschillende andere doelwitten de draak steekt met respectvolle houdingen tegenover de christelijke iconografie? Of Il vangelo secondo Matteo, dat zich voordoet als respectvol ten opzichte van een heilige tekst maar een radicale herinterpretatie van zijn betekenis voorstelt? En hebben deze vragen vijftig jaar na datum nog een hedendaagse waarde?



