“Ook een antifilm is en blijft een film”

Een interview met Marcel Broodthaers

VERTAALD DOOR TRANSLATED BY TRADUIT PAR Greta Joris
Ingeleid door Elias Grootaers

(1) Marcel Broodthaers in 1971-1972 in zijn Section Cinéma, Musée d’Art Moderne, Département des Aigles in Burgplatz 12 in Düsseldorf. De foto werd gemaakt door Joaquim Romero Frías

Marcel Broodthaers was een van de boeiendste kunstenaars van de tweede helft van de twintigste eeuw en misschien wel de invloedrijkste conceptuele splinterbom van het naoorlogse kunstgebeuren. Hij werd geboren in 1924 in de Brusselse gemeente Sint-Gillis en stierf op 28 januari 1976 in Keulen, de dag waarop hij tweeënvijftig werd. Hij vond zijn laatste rustplaats op de begraafplaats van Elsene in Brussel. Zijn bijzondere graf is een bezoek meer dan waard. Op de achterzijde van de stèle in kalksteen staan inscripties en figuren in bas-reliëf, als een ondoorgrondelijke rebus, een periodiek systeem of tabel van Mendelejev van een aantal terugkerende elementen uit het oeuvre van Broodthaers: een pijp, klok, bliksemschicht, notenbalk, fles, palmboom, schildpad, mosselschaal, eierschaal, opengeslagen boek en papegaai. De voorkant van de steen is voorzien van zijn naam en de enigmatische zin “Ô Mélancholie / Aigre château des aigles”.1 In de week na Broodthaers’ dood heerste er grote onduidelijkheid over de locatie van zijn gerepatrieerde lichaam. Samen met de kunstschilder Roger Somville ging de dichter en radiomaker Freddy de Vree op zoek naar zijn vriend. Na veel vijven en zessen vonden ze hem in een lijkenhuis. Freddy de Vree schrijft: “In een van de gangen lag een kale doodkist van licht hout. Een wit label was met ijzerdraad aan de kist bevestigd. (De volgende gedachte kwam zelfs bij mij op: ‘Dit is geen kunstwerk.’) Het opschrift luidde: ‘Broodthaers. Ohne Religion. Nach Brüssel’.2 De overeenkomst met zijn nagelaten Musée d’Art Moderne, Département des Aigles was voor heel even echt frappant. Het was alsof Marcel ons een allerlaatste poets had gebakken.”3 Als jongeman gaf hij al snel zijn studies chemie op om zich te kunnen wijden aan de poëzie, zijn eerste grote liefde, een liefde die haar weerklank vindt in al zijn werk. Als nieuwkomer van de tweede generatie Belgische surrealisten publiceerde hij verschillende teksten, onder andere in het tijdschrift Le ciel bleu en het communistische weekblad Le salut public (Hebdomadaire de précision politique et littéraire). In 1946 was Broodthaers een van de dichters en kunstenaars die een korte vragenlijst (opgesteld door René Magritte!) beantwoordde in het Brusselse tijdschrift Le miroir infidèle: “1. Welke zaken haat u het meest? Zaken die de ‘juiste’ populaire spreekwoorden volgen en net voldoende geven om te kunnen overleven; zo ook armoede. 2. Van welke zaken houdt u het meest? Alles dat binnen handbereik ligt; verre reizen; gelijk welk huis … Ik weet niet waar ik het meest van hou; vandaag, 12 mei, om 22u30, is het deze vragen beantwoorden… Twee dagen geleden was het de herinnering aan de Slag om Stalingrad, die ik met genoegen overdacht; het aantal dingen om het meest van te houden lijkt me onbeperkt. 3. Naar welke zaken verlangt u het meest? Een aantal niet nader te noemen vulgaire zaken; geld natuurlijk, en omdat ik hiervan in het bijzonder verstoken ben, ben ik erg ‘verhinderd’; al mijn gevoelens de vrije loop laten. 4. Welke zaken vreest u het meest? Verveling.”4 Samen met onder anderen Christian Dotrement, Achille Chavée, Marcel Mariën en René Magritte publiceerde hij in 1947 Pas de quartiers dans la révolution !, een pamflet voor een revolutionair surrealisme. De zelfverklaarde revolutionaire surrealisten ergerden zich aan het rond de pot draaien van het officiële surrealisme (met name dat van André Breton) over het politieke vraagstuk van de kunst in het naoorlogse Europa. Deze geweldige tekst begint als volgt: “Grondbezitters, oplichters, druïden, dandy’s, jullie hebben niet genoeg gedaan: het is nog steeds op het SURREALISME dat we beroep doen in onze poging om de wereld en het verlangen IN DEZELFDE RICHTING te stuwen. Jullie hebben het surrealisme door de modder gehaald, maar het zal de modder in opspraak blijven brengen. Is het smerig, dan zullen wij het opfrissen. Is het wazig, dan zullen wij het aanscherpen voor de revolutie. Bloedarm, dan zullen wij het te eten geven. En om te beginnen zal het niet langer dienen als vaandel voor de verwaanden, als springplank voor de voorzichtigen, als drievoet voor de profetessen, het zal niet langer de kiezelsteen der wijzen voor de verstrooiden zijn, de katapult van de bedeesden, het speelgoed van de luilakken, de hersengymnastiek voor de impotenten, de opvlieging van de ‘dichters’ of de opwelling van de literatoren. Het surrealisme zal niet langer het rommelbakje zijn van de individuele manieën, besef dat goed, jullie allen die niet inzien dat een blikopener volstaat om een blik te openen, jullie die denken dat een gedicht volstaat om de wereld te openbaren.”5 Na twaalf ambachten en dertien ongelukken plaatste hij in 1963 vijftig onverkochte exemplaren van zijn poëziebundel Pense-bête in gips waardoor ze tot in de eeuwigheid gesloten zouden blijven (dichtgeslagen, denk aan het opengeslagen boek op Broodthaers’ grafsteen) en dus onleesbaar. Met deze tentoonstelling in de galerie Saint-Laurent in Brussel maakt Broodthaers op negenendertigjarige leeftijd zijn intrede in de wereld van de beeldende kunst. Zijn werk zou gekenmerkt worden “[d]oor de wederzijdse parasitering van tekst en beeld, het in elkaar schuiven van inhoud en vorm, het kortsluiten van gevoel en concept […]”.6 De grote invloed die René Magritte op hem uitoefende, manifesteerde zich in Broodthaers’ spel met woord-beelden en woord-objecten (en dus de symbolische lading van woorden en beelden) en de onophoudelijke bevraging van de relatie tussen tekst en beeld en van de relatie tussen het object (of woord) en zijn context.7 Op de vraag “Werken objecten bij u zoals woorden?”, antwoordde Broodthaers: “Ik gebruik het object als een nulwoord.”8 In een ander gesprek liet hij het volgende optekenen: “De boodschap niet aan één kant situeren, beeld of woord. Dat betekent: de opluchting van een heldere boodschap afwijzen alsof deze rol niet zou zijn opgelegd aan de kunstenaar en bij uitbreiding aan elke economisch geïnteresseerde producent.”9 Zijn werk staat bol van institutionele kritiek op het kunstenaarschap, het kunstwerk en de museale ruimte, en vormt een complex intertekstueel en intervisueel weefsel. Hij was onophoudelijk begaan met de kunst in het tijdperk van haar technische reproduceerbaarheid. Voor Broodthaers was film het ideale medium om de relatie tussen woorden en beelden te onderzoeken. Hij beschouwde film als een soort van container waarin ideeën konden worden verzameld en bewaard: “De oorsprong van mijn bedoelingen zou de visie op cinema zijn die elke notie van beweging van tafel veegt. De filmspoel is een bewaarplaats voor ideeën – een speciaal model van conservenblik.”10 Broodthaers maakte ongeveer vijftig films – het exacte aantal is onmogelijk te bepalen. Tal van films zijn verloren gegaan en meerdere films werden ingezet in mixed media-installaties of waren subtiele variaties op voorgaande films. Zijn eerste korte film La clef de l’horloge. Un poème cinématographique en l’honneur de Kurt Schwitters (1958) draaide hij toen hij nog een dichter was. Na sluitingstijd geraakte hij binnen in een tentoonstelling van Kurt Schwitters in het Palais des Beaux-Arts in Brussel waar hij de film maakte met behulp van de nachtwakers. Hij gebruikte de schouder van een van de nachtwakers als statief en de werken van Schwitters werden belicht met een zaklamp. De film werd vertoond tijdens de tweede editie van EXPRMNTL in 1958 in Knokke. In 1967 maakte hij Le corbeau et le renard, geïnspireerd op de fabel van La Fontaine11 en deze werd vertoond tijdens de vierde EXPRMNTL in 1967, ondanks de afkeuring door de jury. La pluie (projet pour un texte) (1969) werd gedraaid in de tuin van zijn huis in de Boomkwekerijstraat in Brussel, waar hij zijn Musée d’Art Moderne, Département des Aigles oprichtte.12 De korte tekst die hij schreef voor die film vind je hier. Zowel La pipe (René Magritte) als La pipe satire werden in hetzelfde jaar op diezelfde locatie opgenomen. In 1970 vertoonde Broodthaers vijf korte films onder de noemer Cinéma Modèle, vijf films gewijd aan dichters en kunstenaars uit verschillende tijdsgewrichten: Jean de La Fontaine, Charles Baudelaire, Stéphane Mallarmé, Kurt Schwitters en René Magritte. Elke figuur belichaamde voor Broodthaers een bepaalde poëtica. Het filmprogramma maakte deel uit van zijn imaginaire Musée d’Art Moderne. De figuur van de papegaai, gebeeldhouwd op zijn grafzerk, duikt op in een gedicht van Broodthaers, ‘De papegaai’: “Men vraagt om versterking. / Men opent het vuur. Hij antwoordt met een rookgordijn. / Reeds roept hij uit een andere wereld. / Hij zet een hoge borst op. Hij gaat eraan. / (Hij herhaalt leve de vrijheid)”13 Was dat korte gedicht een poëtisch zelfportret? In zekere zin heeft Broodthaers zich nooit zoals die andere gevederde vriend, La Fontaines kraai, laten verleiden door de vos. Zijn hele leven lang was hij zowel de onzekere kraai als de gewiekste vos en al die tijd is hij een verleidelijke, ernstige en zelfrelativerende speelvogel gebleven.

Elias Grootaers

 

(2) Cinéma Modèle (1970) van Marcel Broodthaers

 

Trépied:14 Marcel Broodthaers, uit uw curriculum vitae blijkt dat u zich niet uitsluitend met film bezighoudt. Wat betekent film dan voor u?

Marcel Broodthaers: Voordat ik op uw vraag antwoord, wil ik graag even zeggen dat ik geen cineast ben. Voor mij is film een verlengstuk van de taal. Mijn keuze viel eerst op poëzie, daarna op beeldende kunst en ten slotte op film, waarin verschillende kunstelementen zijn verenigd: het schrijven – poëzie –, het object – beeldende kunst – en het beeld – film. De grote moeilijkheid zit hem natuurlijk in het harmonisch samenbrengen van die elementen.

Hoe hebt u die harmonie bereikt in Le corbeau et le renard?

Ik heb de tekst van La Fontaine genomen en die omgevormd tot wat ik een persoonlijke schriftuur noem – poëzie. Op de voorgrond van de gedrukte tekst heb ik alledaagse objecten gezet – laarzen, telefoon, melkfles – om een rechtstreekse relatie tussen de objecten en de gedrukte tekens tot stand te brengen. Het is een poging om zowel de betekenis van de woorden als die van de beelden tot nul te reduceren. Toen de film klaar was, besefte ik dat de projectie ervan op een normaal scherm, ik bedoel het gewone witte doek, niet exact het beeld weergaf dat ik had willen creëren. De objecten bleven te ver van de tekst verwijderd. Om tekst en object te integreren, moest het doek bedrukt worden met dezelfde typografische letters als die in de film. Mijn film is een rebus die je moet willen ontcijferen. Het is een leesoefening.

Het is dus geen klassieke of commerciële, maar eerder een experimentele film. Misschien zelfs een “antifilm”?

Ja en nee, want ook een antifilm is en blijft een film, net zoals de antiroman niet geheel aan de boekvorm en het geschreven woord ontsnapt. Mijn film verbreedt daarentegen het kader van de “gewone” film. Hij is niet in de eerste plaats, of toch niet uitsluitend, voor bioscopen bestemd. Want om het werk dat ik heb willen maken in zijn geheel te zien en te begrijpen, moet de film niet alleen op een bedrukt doek worden geprojecteerd, maar moet de kijker ook over de tekst beschikken. De film benadert als het ware popart. Het is een van die multiples waarover de afgelopen tijd wordt gepraat als middel om kunst te verspreiden. Daarom wordt hij binnenkort tentoongesteld in een galerie die er veertig kopieën van heeft laten maken, compleet met projectieschermen en boeken. De film zal dus als kunstobject worden verkocht, waarvan elk exemplaar bestaat uit de eigenlijke film, twee schermen en een reusachtig boek. Het is een environment.

U richt zich dus niet op het grote publiek. Hoe vat u dan de rol van de kunstenaar op?

Tegenwoordig is iedere kunstenaar bewust of onbewust geëngageerd. Het probleem is … bewust geëngageerd te zijn, op een authentieke manier, zonder zelf het voorwerp van het engagement van anderen te zijn. Ogenschijnlijk engagement zoals dat van Godard en een hoop anderen irriteert me. In Europa heeft de kunstenaar geen vastomlijnde functie meer die hij kan aanvaarden of betwisten. Het hangt van het toeval af of hij slaagt of faalt. Hij staat aan de rand van de maatschappij. Zeker als hij in België werkt: het is al veel als hij niet met minachting wordt behandeld. In elk geval hoeft hij er geen doeltreffende hulp te verwachten, tenminste, niet het soort hulp waarmee hij het toeval om de tuin zou kunnen leiden.

Waar zou u willen leven?

In de Verenigde Staten, het meest geïndustrialiseerde land, het land waaruit onder andere het Living Theatre is gekomen, dat volgens mij alle toekomstige artistieke pogingen zal beïnvloeden, van welke aard dan ook. Dit is natuurlijk mijn keuze als kunstenaar, niet als politiek bewust mens.

Wat zijn uw toekomstplannen?

Meer realiteit in mijn werk opnemen en een film maken over Vietnam, gebaseerd op het gebruik van het schriftteken. In Knokke werd bijvoorbeeld niets in die zin vertoond.

Gelooft u dat de film nog toekomst heeft?

Ik geloof niet in film, niet meer dan in enig andere kunstvorm. Ik geloof ook niet in de unieke kunstenaar of het unieke kunstwerk. Ik geloof in fenomenen en mensen die ideeën samenbrengen.

  • 1“O Melancholie / Bittere adelaarsburcht”.
  • 2‘Broodthaers. Zonder religie. Naar Brussel’.
  • 3Freddy de Vree, Marcel Broodthaers, œuvres 1963-1975 (Brussel: Galerie Isy Brachot, 1990). [origineel citaat: « Un cercueil nu, de bois clair, se trouvait dans un des couloirs. Une carte blanche était fixée au cercueil au moyen d’un fil de fer. (Je me fis même la réflexion : « Ceci n’est pas une œuvre d’art. ») Mention : « Broodthaers. Ohne Religion. Nach Brüssel ». La ressemblance avec son Musée d’Art Moderne, Département des Aigles abandonné était frappante, pendant un instant, pour de bon. C’était comme si Marcel nous avait joué un tour ultime. »] [eigen vertaling]
  • 4Het interview uit 1946 in het tijdschrift Le miroir infidèle werd gereproduceerd in: Marcel Mariën, L’activité surréaliste en Belgique (Brussel: Éditions Lebeer-Hossmann, 1979). De originele Franse tekst gaat als volgt: « 1. Quelles sont les choses que vous détestez le plus ? Celles suivant les « bons » proverbes populaires qui ne donnent que juste assez pour pouvoir vivre ; ainsi la pauvreté. 2. Quelles sont les choses que vous aimez le plus ? Toutes celles à la portée de ma main ; les grands voyages ; n’importe quelle maison… Je ne sais pas ce que j’aime le plus ; aujourd’hui, 12 mai, à 22h30, c’est répondre à cette enquête… Il y a deux jours, c’était le souvenir de la bataille de Stalingrad que j’avais plaisir à remâcher ; le nombre de possibilités d’aimer le plus me semble illimité. 3. Quelles sont les choses que vous souhaitez le plus ? Certaines choses vulgaires sans précision ; de l’argent évidemment, parce qu’étant spécialement privé de ce moyen, je suis fort « embarrassé » ; pouvoir donner libre cours à tous mes sentiments. 4. Quelles sont les choses que vous redoutez le plus ? L’ennui. » [eigen vertaling]
  • 5Pas de quartiers dans la révolution”. [origineel citaat: « Propriétaires, escrocs, druides, muscadins, vous n’avez pas assez fait : c’est encore au SURREALISME que nous accrochons notre tentative de mettre dans LE MÊME SENS l’univers et le désir. Vous l’avez compromis dans la boue, mais il ne cessera pas d’être compromettant contre la boue. Il est sale : nous le rafraîchirons. Vague : nous l’aiguiserons à la révolution. Anémique : nous lui donnerons à manger. Et d’abord, il ne servira plus d’étendard aux glorieux, de tremplin aux avisés, de trépied aux pythonisses, il ne sera plus le caillou philosophal des distraits, la fronde des timides, la belote des paresseux, le tout-au-cerveau des impuissants, le coup de sang des « poètes » ou le coup de rouge des littérateurs. Il ne sera plus le vide-poches des manies individuelles, sachez-le, vous tous qui ne voyez pas qu’il suffit d’un ouvre-boîte pour ouvrir une boîte, vous qui pensez qu’il suffit d’un poème pour ouvrir l’univers. »] [eigen vertaling]
  • 6Guy Jungblut, Patrick Leboutte en Dominique Païni (red.), Une encyclopédie des cinémas de Belgique (Parijs: Éditions Yellow Now, 1990), 49. [origineel citaat: « [p]ar le parasitage réciproque du texte et de l’image, le télescopage du sens et de la forme, le court-circuitage de l’émotion et du concept […]. »] [eigen vertaling]
  • 7Marcel Broodthaers: “Ik haal het object uit zijn normale context en plaats het in een andere.” / Manuel Borja-Villel (red.), Marcel Broodthaers. Cinéma (Barcelona: Fundacio Antoni Tapies, 1997). [origineel citaat: « Je retire l’objet de son contexte normal, je l’insère dans un autre. »] [eigen vertaling]
  • 8Marcel Broodthaers, ‘Dix mille francs de récompense’, in: Catalogue-Catalogus (Brussel: Palais des Beaux-Arts, 1974). [origineel citaat: « Irmeline Lebeer : Les objets fonctionnent-ils, chez vous, comme des mots ? Marcel Broodthaers : J’utilise l’objet comme un mot zéro. »] [eigen vertaling]
  • 9Guy Jungblut, Patrick Leboutte en Dominique Païni (red.), Une encyclopédie des cinémas de Belgique (Parijs: Éditions Yellow Now, 1990), 49. [origineel citaat: « Ne pas situer le message d’un côté, image ou texte. C’est-à-dire, refuser la délivrance d’un message clair comme si ce rôle ne pouvait incomber à l’artiste et par extension à tout producteur économiquement intéressé. »] [eigen vertaling]
  • 10Manuel Borja-Villel (red.), Marcel Broodthaers. Cinéma (Barcelona: Fundacio Antoni Tapies, 1997). [origineel citaat: « À l’origine de mes intentions, il y aurait ce point de vue sur le cinéma qui écarte la notion de mouvement. La pellicule est un lieu de conservation des idées – une boîte de conserve d’un modèle particulier. »] [eigen vertaling]
  • 11« Maître Corbeau, sur un arbre perché, / Tenait en son bec un fromage. / Maître Renard, par l’odeur alléché, / Lui tint à peu près ce langage : / Et bonjour, Monsieur du Corbeau. / Que vous êtes joli ! que vous me semblez beau ! / Sans mentir, si votre ramage / Se rapporte à votre plumage, / Vous êtes le Phénix des hôtes de ces bois. / À ces mots, le Corbeau ne se sent pas de joie ; / Et pour montrer sa belle voix, / Il ouvre un large bec, laisse tomber sa proie. / Le Renard s’en saisit, et dit : Mon bon Monsieur, / Apprenez que tout flatteur / Vit aux dépens de celui qui l’écoute. / Cette leçon vaut bien un fromage, sans doute. / Le Corbeau honteux et confus / Jura, mais un peu tard, qu’on ne l’y prendrait plus. »
  • 12Denk aan Marcel Duchamps “Dit is een kunstwerk”. Broodthaers stelde: “Dit is een museum.”
  • 13Het originele gedicht in het Frans: « On appelle les renforts. / On tire. Il riposte à coups de brumes. / Déjà il crie d’un autre monde. / Il se gonfle. Il va passer. / (Il répète vive la liberté) ». [eigen vertaling]
  • 14Ter ziele gegaan filmtijdschrift. De interviewer is onbekend. [noot van de redactie]

‘Interview de Marcel Broodthaers, notre invité au “Hoef” le 30 janvier’ werd oorspronkelijk gepubliceerd in het Brusselse tijdschrift Trépied n° 2 (1968). Deze vertaling van Greta Joris werd opgenomen in: Anna Hekkens (red.), Marcel Broodthaers aan het woord (Gent/Amsterdam: Ludion, 1998), 58-61.

 

Het interview werd overgenomen op Sabzian met toestemming van Ludion.

Met veel dank aan Ine Pisters en Peter Ruyffelaere

 

Beeld (1) is een portret van Marcel Broodthaers in 1971-1972 in zijn Section Cinéma, Musée d’Art Moderne, Département des Aigles in Burgplatz 12 in Düsseldorf. De foto werd gemaakt door Joaquim Romero Frías

Beeld (2) is de affiche van Cinéma Modèle (1970) van Marcel Broodthaers

 

Seuls: Kort werk 2 vindt plaats op donderdag 29 november 2018 om 20u30 in KASKcinema. Meer informatie over de vertoning vind je hier.

CONVERSATION
21.11.2018
NL
In Passage, Sabzian invites film critics, authors, filmmakers and spectators to send a text or fragment on cinema that left a lasting impression.
Pour Passage, Sabzian demande à des critiques de cinéma, auteurs, cinéastes et spectateurs un texte ou un fragment qui les a marqués.
In Passage vraagt Sabzian filmcritici, auteurs, filmmakers en toeschouwers naar een tekst of een fragment dat ooit een blijvende indruk op hen achterliet.
The Prisma section is a series of short reflections on cinema. A Prisma always has the same length – exactly 2000 characters – and is accompanied by one image. It is a short-distance exercise, a miniature text in which one detail or element is refracted into the spectrum of a larger idea or observation.
La rubrique Prisma est une série de courtes réflexions sur le cinéma. Tous les Prisma ont la même longueur – exactement 2000 caractères – et sont accompagnés d'une seule image. Exercices à courte distance, les Prisma consistent en un texte miniature dans lequel un détail ou élément se détache du spectre d'une penséée ou observation plus large.
De Prisma-rubriek is een reeks korte reflecties over cinema. Een Prisma heeft altijd dezelfde lengte – precies 2000 tekens – en wordt begeleid door één beeld. Een Prisma is een oefening op de korte afstand, een miniatuurtekst waarin één detail of element in het spectrum van een grotere gedachte of observatie breekt.
Jacques Tati once said, “I want the film to start the moment you leave the cinema.” A film fixes itself in your movements and your way of looking at things. After a Chaplin film, you catch yourself doing clumsy jumps, after a Rohmer it’s always summer, and the ghost of Akerman undeniably haunts the kitchen. In this feature, a Sabzian editor takes a film outside and discovers cross-connections between cinema and life.
Jacques Tati once said, “I want the film to start the moment you leave the cinema.” A film fixes itself in your movements and your way of looking at things. After a Chaplin film, you catch yourself doing clumsy jumps, after a Rohmer it’s always summer, and the ghost of Akerman undeniably haunts the kitchen. In this feature, a Sabzian editor takes a film outside and discovers cross-connections between cinema and life.
Jacques Tati zei ooit: “Ik wil dat de film begint op het moment dat je de cinemazaal verlaat.” Een film zet zich vast in je bewegingen en je manier van kijken. Na een film van Chaplin betrap je jezelf op klungelige sprongen, na een Rohmer is het altijd zomer en de geest van Chantal Akerman waart onomstotelijk rond in de keuken. In deze rubriek neemt een Sabzian-redactielid een film mee naar buiten en ontwaart kruisverbindingen tussen cinema en leven.