“De mijnwerkers komen uit de mijnschacht tevoorschijn. Ze gaan de straat op, hun gezichten zwart, leerkartonnen helmen op hun hoofd, brandende lampen in hun handen, in dichte rijen die de hele breedte van de straat innemen. Ze naderen met rasse schreden, neuriën een zacht en krachtig gefluisterd lied, voorafgegaan door een zwarte stofwolk.”

