28 juni 2024
Spoorloos (George Sluizers, 1988)
Spoorloos achtervolgt me, misschien voor de rest van mijn leven. Ik kan niet over deze film schrijven zonder het einde te onthullen, dus weet waar je aan begint als je verder leest. In George Sluizers film uit 1988 gaat een Nederlands-Vlaams stel op vakantie naar Frankrijk. Ze stoppen bij een tankstation, waar Saskia even naar het toilet gaat voordat ze verder rijden naar hun vakantiehuisje. Rex wacht op haar bij de parkeerplaats. Hij observeert het tijdelijke oponthoud van families en eenzame reizigers die hun hond uitlaten, een balletje opgooien, een kus stelen, een sigaret roken of picknicken. Maar zijn eigen medereizigster laat op zich wachten. De mensen stappen in hun auto’s, trekken hortend op en laten Rex alleen achter. Hij zoekt Saskia overal, maar ze is nergens te vinden. De zon zakt, de parkeerplaats is nu verlaten, en Rex weet niet wat hij moet doen. Tussen hoop en vrees hangt hij bewegingsloos in de tijd. De vluchtige pleisterplaats is nu zijn limbo geworden.
De manier waarop Sluizer deze plek portretteert inspireerde me in een periode waarin ik onderzoek deed naar de ruimtes die ter accommodatie van de auto zijn gecreëerd. De parkeerplaats langs de snelweg is uniform, overal hetzelfde, zonder geschiedenis of specifieke kenmerken. Een plek waar de postmoderne autoreiziger zich kan ontspannen in een tussenzone, als een tijdscapsule tussen twee bestemmingen, tussen het “niet hier” en het “niet daar”, een liminale ruimte waar zich ogenschijnkijk geen gebeurtenissen voordoen. Door Saskia’s verdwijning worden de eigenschappen van de rustplaats gecorrumpeerd omdat ze zich van non-plek tot een betekenisvolle plaats1 transformeert.
Kort voordat Saskia verdween, rustten ze uit in het gras bij de parkeerplaats. Saskia begroef twee munten aan de voet van een boom en liet Rex beloven dat hij haar nooit meer in de steek zou laten, net als in Het gouden ei van Tim Krabbé, het boek waarop de film is gebaseerd. Krabbé is naast schrijver ook meesterschaker. Zoals het schaakspel wordt gestuurd door symbolische stukken, zo wordt ook dit verhaal door tekens gemarkeerd. Saskia droomt dat ze in een gouden ei door de ruimte zweeft en de twee begraven muntstukken fungeren als schaakstukken die zonder erbarmen de ontknoping van het spel voorspellen. Iedere scène is een meesterzet die de bewegingsvrijheid van de koning, Rex, steeds verder inperkt.
Zonder Saskia keert hij terug naar huis. Geobsedeerd door haar lot lijkt Rex’ leven stil te staan, totdat een Franse leraar contact met hem opneemt en beweert te weten wat er met haar is gebeurd. We weten dan al lang dat hij haar moordenaar is. De twee rijden samen naar hetzelfde tankstation waar ze is verdwenen. De man doet Rex een voorstel: enkel als hij koffie met een verdovingsmiddel drinkt, zal hij precies weten wat er met Saskia is gebeurd. Rex weigert eerst, graaft dan de twee munten op en begint als een bezetene rondjes over het grasveld te rennen. Als door een ondragelijke dorst gedwongen stort hij zich dan op de koffie. Gedreven door nieuwsgierigheid worden de twee mannen zielsverwanten. Rex stapt in de auto en het beeld wordt zwart.
Het is nu helemaal stil in de cinemazaal. Dan horen we een aansteker die ontvlamt. Het flauwe licht schijnt op Rex, die in een houten kist ligt. Hij kromt zich tot zijn hoofd het hout raakt en ziet zijn grote teen, die door een gat in zijn kous naar buiten steekt. Op dat moment staat de man naast mij op en verlaat de zaal. Rex lacht uitzinnig. Hij bonkt met zijn blote teen tegen het hout en wat zand stroomt de kist binnen.
Het rechthoekige vlak van het cinemascherm heeft al vele gedaanten aangenomen: een raam, een Japans kamerscherm, een gordijn of de muur van een woonkamer. Omdat het platte vlak kameleontisch is, verandert ook de ruimte van de cinemazaal steeds van hoedanigheid.
De man die wegliep, had het ergste nog niet gezien. Het allerlaatste beeld is een close-up van de aansteker die langzaam zijn brandstof verbruikt. De randen van het beeld worden eerst nog lichtjes aangesneden door het flakkerende licht dat op de houten planken valt. De afsnijding van het licht markeert de begrenzing van de fictionele ruimte, een scheiding tussen het scherm en de zaal daaromheen. Maar dan verliest het vlammetje aan kracht en slaagt het er niet meer in om de randen van het scherm te verlichten. De fictionele ruimte dooft uit, waarna de duisternis zich rond mijn lichaam sluit. Met het uitsterven van het vlammetje krimpt de cinemazaal tot een kist.
Ik geloof niet dat een publiek ooit zo stil een cinemazaal heeft verlaten. Sinds die dag kan ik niet meer in een pikdonkere kamer slapen, want dan word ik overmand door dromen waarin ik levend ben begraven. Na al die jaren van volwassenheid ben ik opnieuw door een kinderangst bevangen. Deze ervaring deel ik nu met mijn medetoeschouwers van Spoorloos. Duisternis zal ons voortaan transporteren naar de binnenkant van een doodskist.
- 1
Marc Augé, Non-lieux. Introduction à une anthropologie de la surmodernité (Parijs: Seuil, 1992).
Beeld uit Spoorloos (George Sluizer, 1988)

