Article NL
26.09.2018
Zonder zon

“De afstand tussen landen compenseert in zekere zin de te grote nabijheid van tijden ...”

Jean Racine1

 

“Omdat ik weet: tijd is voortdurend tijd
En plaats altijd en alleen maar plaats ...”

T.S. Eliot2

 

Ouverture

       Het eerste beeld waarover hij me vertelde, is dat van drie kinderen op een weg in IJsland, in 1965. Hij zei me dat het voor hem het toonbeeld van geluk was en ook dat hij verschillende keren had geprobeerd het te verbinden met andere beelden – maar dat het nooit werkte. Hij schreef me: “Op een dag zal ik het helemaal alleen aan het begin van een film moeten plaatsen, met een lange aanloopstrook zwart. Als je het geluk in het beeld niet hebt gezien, zal je op zijn minst het zwart zien.”

 

Eerste bedrijf

       Hij schreef me: “Ik kom net terug uit Hokkaido, het noordelijke eiland. De rijke en gehaaste Japanners nemen het vliegtuig, de anderen nemen de veerboot. Het wachten, de stilstand, de versnipperde slaap, dat alles voert me vreemd genoeg terug naar een verleden of toekomstige oorlog: nachttreinen, luchtaanvallen, atoomschuilkelders ... Kleine oorlogsfragmenten ingebed in het dagelijkse leven.” Hij hield van de fragiliteit van die opgeschorte momenten, die herinneringen die tot niets anders hadden gediend dan het nalaten van herinneringen. Hij schreef: “Na enkele reizen om de wereld interesseert enkel de banaliteit me nog. Tijdens deze reis heb ik haar achternagezeten met de verbetenheid van een premiejager.
       Bij dageraad zullen we in Tokio zijn.”
       Hij schreef me uit Afrika. Hij stelde de Afrikaanse tijd tegenover de Europese tijd, maar ook tegenover de Aziatische tijd. Hij zei dat de mensheid in de 19de eeuw had afgerekend met de ruimte en dat de grote uitdaging van de 20ste eeuw het samenleven van verschillende tijden was.
       “Tussen haakjes: wist jij
       dat er emoes zijn in Île-de-France?”

       Hij schreef me dat het op de Bissagoseilanden de jonge meisjes zijn die hun verloofde uitkiezen. Hij schreef me dat er in een buitenwijk van Tokio een tempel is gewijd aan katten.
       “Ik zou je de eenvoud en de afwezigheid van aanstellerij willen kunnen overbrengen van het koppel dat een houten lat vol lettertekens op het kattenkerkhof was komen neerleggen. Zo zou hun poes Tora beschermd zijn. Nee, ze was niet dood, alleen maar weggelopen, maar op de dag van haar dood zou anders niemand weten hoe voor haar te bidden, hoe ervoor te zorgen dat de Dood haar zou roepen bij haar ware naam. Ze moesten dus beiden naar daar komen, in de regen, om het ritueel uit te voeren dat het weefsel van de tijd zou herstellen op de plek waar het gescheurd was.”
       Hij schreef me: “Ik zal mijn hele leven geprobeerd hebben om de functie te doorgronden van de herinnering, die niet het tegengestelde van het vergeten is, eerder de keerzijde ervan. We herinneren ons niet, we herschrijven het geheugen zoals we de geschiedenis herschrijven. Hoe kunnen we ons dorst herinneren?”
       Hij hield er niet van te zwelgen in de aanblik van ellende, maar in alles wat hij wou laten zien van Japan, doken ook de verschoppelingen van het Japanse Model op. “Een hele wereld vol daklozen, paupers,3 verstotenen, Koreanen. Te blut om drugs te kopen bezatten ze zich met bier, met gefermenteerde melk. Deze ochtend, in Namidabashi, op twintig minuten van de pracht en praal van het centrum, was er een kerel die wraak nam op de samenleving door het verkeer te regelen op een kruispunt. Luxe voor hen zou een van die grote flessen sake zijn die men op de graven giet op de dag van de doden.
       Ik gaf een rondje in een café in Namidabashi: dit soort van plaats laat mensen toe naar elkaar te kijken op voet van gelijkheid. De drempel waarachter elke mens evenveel waard is als een ander, en het weet.”

       Hij vertelde me over de aanlegsteiger op het eiland Fogo in Kaapverdië. “Hoe lang wachten ze daar al op de boot? Geduldig als keien, maar klaar om te springen. Het is een volk van dolers, van zeevaarders, van wereldreizigers. Ze hebben zich gevormd door voortdurende vermenging op de rotsen die voor de Portugezen dienstdeden als rangeerstation tussen hun kolonies. Een volk van niets, een volk van leegte, een verticaal volk. Eerlijk gezegd, heb je ooit al iets stompzinnigers gehoord dan tegen mensen te zeggen, zoals men op filmscholen onderwijst, om niet in de camera te kijken?”

       Hij schreef me: “De Sahel is niet alleen maar wat men ervan toont wanneer het al te laat is. Het is een gebied waarin de droogte doorsijpelt als water in een boot die lekt. De dieren, kortstondig uit de dood opgewekt voor het carnaval in Bissau, vindt men versteend terug zodra een nieuwe droogte een savanne in een woestijn zal hebben veranderd. Het is een overlevingstoestand die de rijke landen zijn vergeten, op één uitzondering na – je raadde het al, Japan ... Mijn onophoudelijk komen en gaan is geen zoektocht naar contrasten, het is een reis naar de twee uiterste polen van overleven.”

       Hij sprak me over Sei Shōnagon, een hofdame van de prinses Sadako in het begin van de 11de eeuw, in de Heianperiode. “Weet men ooit waar de geschiedenis zich echt afspeelt? De bestuurders bestuurden, ze bevochten elkaar met ingewikkelde strategieën. Een familie van erfelijke regenten had de echte macht in handen, het hof van de Keizer was niets meer dan een oord van gekonkelfoes en intellectuele spelletjes. En die kleine groep lanterfanters heeft een veel diepere indruk achtergelaten op de Japanse gevoeligheid dan al het geraas van de politieke klasse, door te leren een soort van weemoedige troost te putten uit de beschouwing van de kleinste en fijnste dingen ... Shōnagon was bezeten van lijstjes: een lijst van ‘gracieuze dingen’, van ‘treurige dingen’ of zelfs van ‘dingen die niet de moeite waard zijn om te doen’. Op een dag had ze het idee een lijst samen te stellen van ‘dingen die het hart sneller doen kloppen’. Geen slecht criterium voor wanneer ik film, besef ik. Ik neem mijn petje af voor het economisch mirakel, maar wat ik je graag wil laten zien, zijn de buurtfeesten.”
       Hij schreef me: “Ik keer terug via de kust van Chiba ... Ik denk aan de lijst van Shōnagon, aan alle tekens die je enkel moet benoemen om het hart sneller te doen kloppen. Enkel benoemen. Bij ons is een zon pas echt een zon wanneer ze schittert en een bron pas echt een bron wanneer ze helder is. Hier is het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden even onbeleefd als prijskaartjes die aan voorwerpen zijn blijven hangen. Japanse poëzie determineert niet. Er is een manier om boot, rots, mist, kikker, raaf, hagel, reiger, chrysant te zeggen, die ze allemaal behelst. De pers wordt dezer dagen beheerst door het verhaal van een man uit Nagoya: de vrouw die hij liefhad, was vorig jaar gestorven, hij had zich als een gek op zijn werk gestort, op z’n Japans. Hij had naar verluidt zelfs een belangrijke ontdekking gedaan in de elektronica. En dan, in de maand mei, beroofde hij zich van het leven: ze zeggen dat hij het niet kon verdragen om het woord lente te horen.”

       Hij beschreef me zijn weerzien met Tokio. “Zoals een kat die thuiskomt van vakantie en in haar mand onmiddellijk haar vertrouwde plekken begint te inspecteren.” Hij haastte zich om te zien of alles wel op zijn plaats stond, de Ginza-uil, de Shimbashi-locomotief, de tempel van de Vos bovenaan het Mitsukoshi-warenhuis, die hij overstelpt door jonge meisjes en rockzangers aantrof. Hij vernam dat het nu de jonge meisjes waren die sterren maakten en kraakten, dat de producers bang voor hen waren. Ze vertelden hem dat een misvormde vrouw haar masker aftrok voor voorbijgangers en hen krabde als ze haar niet mooi vonden. Alles boeide hem. Hij, die niet zou hebben opgekeken bij een doelpunt van Platini of bij de aankomst van een paardenkoers, informeerde koortsachtig naar het klassement van Chiyonofuji in het laatste sumotoernooi.4 Hij vroeg nieuws over de keizerlijke familie, over de kroonprins, over de oudste gangster van Tokio die regelmatig op televisie verscheen om kinderen deugdzaamheid te leren. Die kleine geneugten die hij niet kende: de terugkomst in een land, een huiselijke haard, een familie, twaalf miljoen naamloze inwoners konden hem daarin voorzien.
       Hij schreef me: “De stad Tokio wordt doorkruist door treinen. Aaneengenaaid met elektriciteitskabels toont ze haar aders. Ze zeggen dat de televisie haar inwoners tot analfabeten maakt. Ik heb wat mij betreft nog nooit zoveel mensen op straat zien lezen. Misschien lezen ze enkel op straat, of doen ze alsof ze lezen, deze gele mensen ... Ik spreek af in Kinokuniya, de boekhandel in Shinjuku. Het grafisch vernuft dat de Japanners in staat stelde om tien eeuwen voor de cinema de cinemascope uit te vinden, compenseert enigszins het trieste lot van de stripverhaalheldinnen, slachtoffers van harteloze scenaristen en een castrerende censuur. Soms ontsnappen ze en zie je ze terug op de muren. De hele stad is een stripverhaal. Het is planeet Manga. Hoe kan je de beeldhouwwerken, van geplastificeerde barok tot stalinistisch-wulps, niet herkennen, en die reusachtige gezichten waarvan je de blik voelt wegen – want de voyeurs van beelden worden op hun beurt bespied door beelden die groter zijn dan zij.
       Bij het vallen van de avond valt de megalopolis uiteen in dorpjes. Met zijn plattelandskerkhoven in de schaduw van banken, zijn stations en tempels, wordt elke wijk in Tokio weer een klein, argeloos en keurig gehucht dat zich schuilhoudt aan de voet van de wolkenkrabbers.”

       De kleine bar in Shinjuku deed hem denken aan die Indiase fluit waarvan het geluid enkel hoorbaar is voor diegene die haar bespeelt. Hij zou kunnen uitroepen, zoals in een film van Godard of een toneelstuk van Shakespeare: “Maar vanwaar komt die muziek?” Later vertelde hij me dat hij had gegeten in het restaurant in Nishi-Nippori waar dhr. Yamada de lastige kunst van het action cooking beoefent. Hij zei me dat je, door de bewegingen van dhr. Yamada en de manier waarop hij de ingrediënten door elkaar mengt, goed te observeren, zinvol zou kunnen mediteren over fundamentele ideeën die gemeenschappelijk zijn aan schilderkunst, filosofie en vechtsporten. Hij beweerde dat dhr. Yamada de essentie van de stijl beheerste, des te bewonderenswaardig omwille van de eenvoud van zijn opdracht, en dat het daarom aan hem was om met zijn onzichtbare penseel het woord EINDE aan te brengen op zijn eerste dag in Tokio.

       “Ik bracht mijn dag door voor de buis, die herinneringsdoos. Ik was in Nara in het gezelschap van gewijde herten, ik nam een foto zonder te weten dat Bashō in de 17de eeuw had geschreven:

       De wilg bekijkt ondersteboven
       het beeld van de reiger

       De reclamespot wordt een soort van haiku, voor het oog dat op dit vlak westerse onsmakelijkheden gewend is. Niets verstaan draagt natuurlijk bij tot het genot. Een ogenblik had ik het enigszins hallucinatorische gevoel Japans te begrijpen, zoals dhr. Fenouillard,5 maar het was een culturele uitzending van het NHK6 over Nerval.
       08u40, Cambodja. Van Rousseau naar de Rode Khmer – toeval of zin van de geschiedenis? In Apocalypse Now zegt Brando daarover enkele onherroepelijke – en niet onder woorden te brengen – zinnen: De gruwel heeft een naam en een gezicht ... Je moet van de gruwel een bondgenoot maken ...
       Om de gruwel die een naam en een gezicht heeft te bezweren, moet je hem een andere naam en een ander gezicht geven. Japanse griezelfilms hebben de stiekeme schoonheid van bepaalde lijken. Je voelt je soms overrompeld door zoveel wreedheid en je zoekt de oorsprong ervan in de eeuwenoude vertrouwdheid van Aziatische volkeren met het lijden, dat eist dat zelfs de pijn wordt versierd. En dan volgt de beloning: na de ondergang van de monsters verrijst Natsume Masako. De volmaakte schoonheid heeft ook een naam, en een gezicht.
       Maar hoe meer je de Japanse televisie bekijkt, des te meer je het gevoel hebt door haar bekeken te worden.
       Zelfs het televisiejournaal bewijst dat de magische rol van het oog in het middelpunt van alles staat. Het is verkiezingstijd: de winnende kandidaten schilderen het leeg gebleven oog van Daruma zwart, de geest van de voorspoed, terwijl de verslagen kandidaten hun eenogige Daruma waardig maar teleurgesteld wegdragen.
       De beelden uit Europa zijn het meest ondoorgrondelijk. Ik zie de beelden van een film waarvan de geluidsband later zal worden toegevoegd: voor Polen kostte het mij zes maanden. Met plaatselijke aardbevingen heb ik daarentegen geen enkele moeite – maar ik moet zeggen dat die van gisterennacht me enorm heeft geholpen om het probleem te vatten. Poëzie ontstaat uit onveiligheid: dolende Joden, wankele Japanners. Door te leven op een tapijt dat elk moment van onder hun voeten kan weggetrokken worden door een grillige natuur, hebben ze de gewoonte aangenomen om zich te bewegen door een wereld van broze, vluchtige, herroepbare verschijningen, treinen die van planeet naar planeet vliegen, samoerai die vechten in een onveranderlijk verleden: dat heet de vergankelijkheid der dingen.
       Ik heb de hele rit uitgezeten, tot aan de avonduitzendingen, die “voor volwassenen”. Dezelfde hypocrisie als in de stripverhalen, maar het is een gecodeerde hypocrisie. De censuur is geen verminking van het spektakel, ze is zelf het spektakel. De code is de boodschap. Het wijst het absolute aan door het te verhullen. Dat is wat religies altijd hebben gedaan.”
       Dat jaar dook een nieuw gezicht op tussen de enorme gezichten die als wapenschilden in de straten van Tokio hangen: dat van de paus. Schatten die het Vaticaan nooit eerder hadden verlaten werden tentoongesteld op de zevende verdieping van het warenhuis Sogo. Hij schreef me: “Nieuwsgierigheid, natuurlijk, en een zweem bedrijfsspionage in de ogen. Ik stel me voor dat ze binnen de twee jaar met een minder dure en performantere versie van het katholicisme voor de dag komen. Maar ook de aantrekkingskracht van het sacrale, zelfs dat van anderen.
       Dus wanneer zal de derde verdieping van La Samaritaine7 een tentoonstelling wijden aan Japanse sacrale symbolen zoals je ze kan zien in Jozankei, op het eiland Hokkaido? Eerst moet je glimlachen om deze plaats die tegelijk een museum, een kapel en een seksshop is. Zoals altijd sta je in Japan in bewondering voor het feit dat de wanden tussen verschillende domeinen zo dun zijn dat je in één adem een standbeeld kan aanschouwen, een opblaaspop kan kopen en de godin van de vruchtbaarheid het kleingeld kan offeren dat altijd deel uitmaakt van haar afbeeldingen. Het zijn afbeeldingen waarvan de ongedwongenheid de listen van de televisie onbegrijpelijk zou maken, mochten ze niet tegelijk te kennen geven dat een geslachtsdeel enkel zichtbaar is op voorwaarde dat het is afgescheiden van het lichaam ... Je zou willen geloven in een wereld voor de zondeval, onbereikbaar voor de complicaties van een puritanisme waarvan de Amerikaanse bezetting haar een schijnbeeld heeft opgedrongen, waar de mensen die lachend samenkomen bij de gewijde fontein en de vrouw die haar met een vriendelijk gebaar beroert, deelnemen aan eenzelfde kosmische onschuld. Het tweede deel van het museum, met zijn koppels opgezette dieren, zou dan het aards paradijs zijn, zoals we het altijd gedroomd hebben. Misschien toch niet ... De dierlijke onschuld kan een truc zijn om de censuur te omzeilen, ze kan ook de spiegel van een onmogelijke verzoening zijn, en zelfs zonder de erfzonde zou dit aards paradijs een verloren paradijs kunnen zijn. In de glanzende pracht en praal van de lieve dieren van Josankei lees ik de fundamentele kloof binnen de Japanse samenleving, de kloof die mannen en vrouwen van elkaar scheidt. In het dagelijkse leven lijkt ze zich slechts op twee manieren te openbaren: bloedige moord of fijngevoelige weemoed, die lijkt op die van Shōnagon en die de Japanners uitdrukken met één enkel woord, dat overigens onvertaalbaar is ... Dus deze verlaging van de mens tot dier, waartegen de kerkvaders fulmineerden, wordt hier het dierlijke uitdagen van de ‘aangrijpendheid der dingen’, van een weemoed waarvan ik je de kleur kan schilderen met deze regels van Samura Koichi: Wie heeft er gezegd dat de tijd alle wonden heelt? Het zou beter zijn om te zeggen dat de tijd alles heelt, behalve wonden. Mettertijd verliest de wonde van de scheiding haar reële grenzen. Mettertijd zal het begeerde lichaam ophouden te bestaan, en als het begerende lichaam al van de ander is heengegaan, is wat overblijft een wonde zonder lichaam.

       Hij schreef me dat het Japanse geheim, hetgeen door Lévi-Strauss de aangrijpendheid der dingen werd genoemd, de gave veronderstelde om je één te voelen met de dingen, om je in hen te verplaatsen, om ze even te zijn. Vanzelfsprekend zouden de dingen op hun beurt zoals wij zijn: vergankelijk en onsterfelijk. Hij schreef me: “Animisme is een vertrouwd idee in Afrika, het is eerder zelden van toepassing in Japan. Hoe moeten we dan het vage geloof noemen dat elk fragment van de schepping een onzichtbare tegenhanger heeft? Wanneer ze een fabriek of een wolkenkrabber bouwen, beginnen ze met een ceremonie om de god die het stuk grond bezit, te paaien. Er is een ceremonie voor penselen, voor telramen, en zelfs voor verroeste spelden. Op 25 september is er een voor de zielenrust van kapotte poppen. De poppen worden opeengestapeld in de tempel van Kiyomizu, gewijd aan Kannon, onze Guanyin,8 de godin van het mededogen, en publiekelijk verbrand.
       Ik bekeek de deelnemers. Ik denk dat de mensen die de kamikazes zagen vertrekken dezelfde gelaatsuitdrukking hadden.”

       Hij schreef me dat de beelden uit Guinee-Bissau begeleid zouden moeten worden door Kaapverdische muziek. Dat zou onze bijdrage zijn aan de eenheid waarvan Amílcar Cabral droomde.
       “Waarom zou zo’n klein en arm land de rest van de wereld interesseren? Ze hebben gedaan wat ze konden. Ze hebben zich bevrijd, ze hebben de Portugezen verdreven, ze hebben het Portugese leger zozeer getraumatiseerd dat het in zijn schoot een beweging ontketende die de dictatuur omverwierp en een ogenblik deed geloven in een nieuwe revolutie in Europa ... Wie herinnert zich dat nog? De Geschiedenis gooit haar lege flessen uit het raam.
       Die ochtend was ik op de kade van Porto Pidjiguiti, waar alles in 1959 begon, toen de eerste doden van de strijd vielen. Het is waarschijnlijk even moeilijk om Afrika te herkennen in deze donkergrijze mist als om de strijd te herkennen in de enigszins saaie activiteit van tropische dokwerkers. Het wordt gezegd dat alle leiders van de derde wereld de dag na de onafhankelijkheid dezelfde gevleugelde woorden spraken: ‘Nu beginnen de echte problemen.’ Cabral heeft nooit de tijd gehad om ze uit te spreken, hij werd voortijdig vermoord, maar de problemen begonnen, hielden aan en blijven duren. Weinig opwindende problemen in het licht van de revolutionaire romantiek: werken, produceren, verdelen, de uitputting na de oorlog te boven komen, de verlokkingen van macht en privilege ... Maar ach, de Geschiedenis smaakt enkel bitter voor degenen die haar suikerzoet verwachten.
       Mijn eigen probleem was iets beperkter: hoe de vrouwen van Bissau filmen? Blijkbaar werkte de magische kracht van het oog daar tegen mij. Het is op de markten van Bissau en Kaapverdië dat ik de gelijkwaardigheid van de blik heb teruggevonden en een reeks gelaatsuitdrukkingen zo nauw verwant aan het verleidingsspel: ik zie haar – ze heeft me gezien – ze weet dat ik haar zie – ze biedt me haar blik aan, maar net schuins genoeg om te doen alsof ze zich niet tot mij richt – en ten slotte een echte blik, recht vooruit, die 1/25 van een seconde duurde, de lengte van een filmbeeld.
       Alle vrouwen behouden een kleine kern van onverwoestbaarheid, en het werk van mannen is altijd geweest om ervoor te zorgen dat de vrouwen zich daar zo laat mogelijk bewust van worden. Afrikaanse mannen zijn daar net zo bedreven in als anderen, maar door goed naar de Afrikaanse vrouwen te kijken, ben ik er nog niet zo zeker van dat de mannen als overwinnaars uit de strijd zullen komen.”

 

Tweede bedrijf

       Hij vertelde me het verhaal van de hond Hachiko: “Een hond wachtte zijn baasje elke dag op aan het station. Het baasje stierf, de hond wist van niets en bleef hem opwachten, zijn hele leven lang. Uit ontroering brachten mensen hem eten. Na zijn dood richtte men een standbeeld voor hem op en aan de voet ervan legt men nog altijd sushi en rijstkoeken zodat de trouwe ziel van Hachiko nooit honger zou lijden.
       Tokio loopt over van zulke kleine legendes en dieren-bemiddelaars. De leeuw van Mitsukoshi houdt de wacht aan de grenzen van het imperium van dhr. Okada, een grote liefhebber van de Franse schilderkunst, de man die het Kasteel van Versailles afhuurde om het eeuwfeest van zijn warenhuizen te vieren. In de computerafdeling heb ik jonge Japanners hun hersenspieren zien trainen zoals jonge Atheners in de worstelschool. Ze hebben een oorlog te winnen. De geschiedenisboeken van de toekomst zullen de slag om de geïntegreerde schakelingen9 misschien op één lijn stellen met de Slag bij Salamis of de Slag bij Azincourt. Ook al moet de onfortuinlijke tegenstander geëerd worden door andere domeinen aan hem over te laten: de mannenmode van dit seizoen staat in het teken van John F. Kennedy.”
       Net als een oude gewijde schildpad geposteerd op de hoek van een veld, zo zag hij dhr. Akao, de voorzitter van de Japanse patriottische partij, elke dag een grote keel opzetten over het internationale communistische complot vanop zijn hoge balkon op wieltjes. Hij schreef me: “De wagens van extreemrechts met hun vlaggen en megafoons maken deel uit van het landschap van Tokio en dhr. Akao vormt hun middelpunt. Ik denk dat er voor hem een standbeeld zal opgericht worden, zoals voor de hond Hachiko, op het kruispunt dat hij enkel verlaat om te gaan oreren op de slagvelden. Hij was in Narita in de jaren 1960. Het was zoals Roissy10 in Larzac, waar de boeren vochten tegen de aanleg van een luchthaven op hun gronden, en dhr. Akao hekelde de hand van Moskou achter alles wat bewoog ... Yūrakuchō is de politieke ruimte van Tokio. Ik zag er ooit eens een boeddhistische monnik bidden voor vrede in Vietnam. Vandaag protesteren jonge, rechtse activisten er tegen de annexatie van de noordelijke eilanden door de Russen. Soms krijgen ze de reactie dat de handelsrelaties van Japan met de verschrikkelijke bezetter van het noorden duizend keer beter zijn dan met de Amerikaanse bondgenoot die onophoudelijk jammert over economische agressie ... Niets is eenvoudig.
       Op de andere stoep is links aan het woord. De Koreaanse katholieke oppositieleider, Kim Dae-jung, in 1973 ontvoerd door de Zuid-Koreaanse Gestapo, wordt bedreigd met de doodstraf. Een groep houdt een hongerstaking. Enkele erg jonge militanten proberen handtekeningen te verzamelen om die te steunen.

       Ik ben teruggekeerd naar Narita voor de herdenkingsdag van een slachtoffer van de strijd. Een onwezenlijke manifestatie, ik had het gevoel dat ik in Brigadoon11 speelde, dat ik tien jaar later ontwaakte te midden van dezelfde acteurs, met dezelfde blauwe zeekreeften als politie, dezelfde gehelmde adolescenten, dezelfde slogans, dezelfde spandoeken, dezelfde doelstelling: strijden tegen de luchthaven. Er is slechts één iets bij gekomen: juist, de luchthaven. Maar met haar enige landingsbaan en de prikkeldraad die haar wurgt, ziet ze er eerder belegerd dan triomfantelijk uit.

       Mijn vriend Hayao Yameko heeft een oplossing gevonden: als de beelden van het heden niet veranderen, verander dan de beelden van het verleden ... Hij toonde me de relletjes van de sixties bewerkt door zijn synthesizer. Minder misleidende beelden, zegt hij met de vaste overtuiging van een fanaticus, dan de beelden die je op televisie ziet. Ze doen zich ten minste voor als wat ze zijn, beelden, geen draagbare en compacte vorm van een altijd al ontoegankelijke realiteit.
       Hayao noemt de wereld van zijn machine: de Zone – als hommage aan Tarkovski.12
       Wat Narita me deed terugzien, als een gebarsten hologram, was een intact fragment van het beeld van de generatie van de sixties. Als liefhebben zonder illusies nog liefhebben is, kan je zeggen dat ik van haar hield. Het was een generatie die me vaak had geërgerd. Ik deelde haar utopie niet, die wie opkwam tegen armoede in eenzelfde strijd wou verenigen met wie opkwam tegen de rijke klasse, maar ze slaakte een oerkreet die beter aangepaste stemmen niet meer konden, of niet meer durfden, slaken ... Het is daar dat ik boeren ontmoette die zichzelf hadden leren kennen in de strijd. Een strijd die was gestrand op de realiteit. Maar tegelijkertijd was het enkel dankzij de strijd dat zij meer toegang tot de wereld hadden gekregen en aan zelfkennis hadden gewonnen.
       Onder de studenten waren er een aantal die elkaar uiteindelijk afmaakten in de bergen in naam van revolutionaire zuiverheid en anderen die het kapitalisme zo grondig hadden bestudeerd om ertegen te strijden dat ze nu de beste managers van het systeem zijn. De Beweging kende zoals overal poseurs en arrivisten – inclusief de arrivisten van het martelaarschap, want die waren er ook – maar ze sleepte iedereen mee die, net als Che Guevara, zei dat hij ‘overmand werd door verontwaardiging telkens er onrecht werd begaan in de wereld’. Ze wilden een politieke betekenis geven aan hun grootmoedigheid, en hun grootmoedigheid was een langer leven beschoren dan hun politieke overtuigingen. Vandaar dat ik nooit toelaat dat iemand beweert dat twintig niet de mooiste leeftijd van het leven is.
       De jongeren die elk weekend samenkomen in Shinjuku, weten duidelijk dat ze niet op het punt staan om het echte leven ingekatapulteerd te worden, maar dat ze zelf een leven zijn, dat onmiddellijk als bessen verorberd moet worden.13 Het geheim is heel eenvoudig. De ouderen proberen het geheim te houden en niet alle jongeren zijn ervan op de hoogte. Het meisje van tien dat haar vriendinnetje van de dertiende verdieping slingerde na haar handen te hebben vastgebonden, omdat die had kwaadgesproken over haar klasgenoten, had het geheim nog niet ontdekt. Ouders die dringend verzoeken om een uitbreiding van het aantal speciale telefoonlijnen om zelfmoord bij kinderen te voorkomen, beseffen wat te laat dat ze het te goed hebben verborgen gehouden. Rockmuziek is de internationale taal om het Geheim te verspreiden. Een andere is typisch voor Tokio ...
       Voor de Takenoko is twintig jaar de pensioengerechtigde leeftijd. Het zijn babymarsmannetjes, ik ga elke zondag kijken hoe ze dansen in het park van Yoyogi. Ze willen opgemerkt worden, en ze lijken niet te merken dat je hen opmerkt. Ze leven in een parallelle tijd. Een onzichtbare aquariumwand scheidt hen van de mensenmassa die ze aantrekken en ik kan wel een hele namiddag kijken naar een kleine Takenoko die, ongetwijfeld voor de eerste keer, de gebruiken van haar planeet leert kennen.
       Voor de rest hebben ze een identiteitsplaatje, gehoorzamen ze het fluitsignaal, perst de maffia hen af en, met uitzondering van één enkele groep meisjes, is het altijd een jongen die het bevel voert ...”

       Op een dag schreef hij me: “Beschrijving van een droom ... Steeds vaker spelen mijn dromen zich af in de warenhuizen van Tokio, de ondergrondse gangen die hen verlengen en de stad verdubbelen. Een gezicht verschijnt, verdwijnt ... Je ontdekt een spoor, verdwaalt. Het hele theater van de droom is er zo op zijn plaats dat ik de volgende dag, ontwaakt, besef dat ik de verborgen aanwezigheid van de vorige nacht blijf zoeken in het doolhof van de kelders. Ik begin me af te vragen of deze dromen wel van mij zijn, of ze deel uitmaken van een groter geheel, van een gigantische collectieve droom waarvan de hele stad de projectie zou zijn. Het zou misschien volstaan om een van de telefoons die overal hangen van de haak te nemen om een vertrouwde stem te horen, of een kloppend hart, zoals op het einde van Les visiteurs du soir14 – dat van Sei Shōnagon bijvoorbeeld ... Alle gangen monden uit in stations, dezelfde bedrijven bezitten zowel de winkels als de spoorwegen die hun naam dragen, Keiō, Odakyu, die namen van havens. De trein vol slapende mensen brengt alle fragmenten van de droom samen, maakt er één film van, de ultieme film. De vervoerbewijzen uit de automaat worden toegangskaartjes.”
       Hij vertelde me over het januarilicht op de stationstrappen. Hij zei dat deze stad ontcijferd moest worden als een partituur. Je kon verdwalen in de grote orkestrale menigtes en de opeenhoping van details, en dat deed het gangbare beeld van Tokio ontstaan: overbevolkt, megalomaan, onmenselijk. Hij meende er meer subtiele cycli waar te nemen, ritmes, groepjes gezichten opgevangen in het voorbijgaan, even gedifferentieerd en precies als groepjes instrumenten. Soms viel de muzikale vergelijking samen met de realiteit zelf: de Sony-trap, in Ginza, was zelf een muziekinstrument, elke trede een noot. Dat alles schoof in elkaar als de stemmen van een ietwat ingewikkelde fuga, maar het volstond om er eentje vast te grijpen en haar niet meer los te laten: die van de televisieschermen bijvoorbeeld. Op hun eentje tekenden zij een route, die soms onverwachte lussen vormde. Het was het seizoen van het sumoworstelen en de liefhebbers die naar de kampen kwamen kijken in de bijzonder chique toonzalen van Ginza waren juist de allerarmsten van Tokio, zo arm dat ze geen televisie hadden ... Hij zag hoe ze kwamen aanwaaien, de verschoppelingen van Namidabashi, met wie hij sake had gedronken tijdens een zonovergoten dageraad, hoeveel seizoenen geleden was dat precies?
       Hij schreef me: “Tot diep in de soeks met elektronische onderdelen, waarvan sommige buitenbeentjes juwelen maken, dringt er in de partituur van Tokio een bijzondere notenbalk door, waarvan de zeldzaamheid in Europa van mij daadwerkelijk een auditieve banneling maakt: het gaat om de muziek van videospelletjes. Ze zijn ingewerkt in tafels, je kan drinken en lunchen terwijl je verder speelt. Ze geven uit op straat: door naar ze te luisteren, kan je uit het blote hoofd spelen.
       Ik heb al die spelletjes zien ontstaan in Japan. Nadien zag ik ze terug over de hele wereld, op één detail na: in het begin was het een vertrouwd spelletje, een soort van anti-ecologisch pak slaag waarbij het erop aankomt, zodra ze hun kop laten zien, wezens neer te slaan waarvan ik nog steeds niet weet of het nu knaagdieren of babyzeehondjes betreft. En nu de Japanse variant: in plaats van de dieren vage mensenhoofden voorzien van etiketten. Bovenaan, de algemeen directeur. Voor hem, de vicepresident en de directeurs. Op de eerste rij, de sectiehoofden en de personeelschef. De kerel die ik filmde, die met een benijdenswaardig energie de hiërarchie te lijf ging, vertrouwde me toe dat het spelletje voor hem allesbehalve allegorisch was, dat hij heel specifiek aan zijn oversten dacht. Daarom was er ongetwijfeld zo vaak en zo hard ingebeukt op het poppetje van de personeelschef dat hij buiten werking was geraakt, en dat ze hem opnieuw hadden moeten vervangen door een babyzeehondje.
       Hayao Yanianeko ontwerpt videospelletjes met zijn machine. Om me een plezier te doen, voert hij mijn lievelingsdieren in, de kat en de uil.
       Hij beweert dat elektronische materie het enige is dat kan omspringen met zowel het gevoel, als het geheugen en de verbeelding. Mizoguchi’s Arsène Lupin bijvoorbeeld, of de niet minder denkbeeldige Burakumin. Hoe kan je beweren een groep Japanners te tonen die niet bestaat? Ja, ze zijn er, ik heb gezien hoe ze zich in Osaka aanboden als dagloners en op de blote grond sliepen. Sinds de middeleeuwen zijn ze veroordeeld tot smerig en ondankbaar werk, maar sinds de Meijiperiode onderscheidt niets hen nog officieel, en hun echte naam, de Eta, is een taboewoord, verboden uit te spreken. Het zijn non-mensen. Hoe kunnen we ze anders tonen dan in de gedaante van non-beelden?
       Videospelletjes zijn de eerste fase van het hulpplan van de machines voor de menselijke soort, het enige plan dat intelligentie een toekomst biedt. Vooralsnog zit de onverwoestbare filosofie van onze tijd vervat in pacman. Toen ik al mijn stukken van 100 yen aan hem opofferde, wist ik nog niet dat hij de wereld zou veroveren. Misschien omdat hij de meest perfecte grafische metafoor voor het menselijke lot is. Hij is een precies afgewogen voorstelling van de machtsverhoudingen tussen het individu en zijn omgeving, en hij verkondigt nuchter dat, hoewel er een zekere eer te behalen valt in het uitvoeren van het grootst aantal gelukte aanvallen, het als puntje bij paaltje komt altijd slecht afloopt.”
       Het beviel hem dat op begrafenissen van zowel mensen als dieren dezelfde chrysanten opdoken. Hij beschreef me de ceremonie ter nagedachtenis aan de dieren die dat jaar waren gestorven in de dierentuin van Ueno: “Voor het tweede jaar op rij is deze rouwdag nog meer dan anders met droefheid vervuld door de dood van een panda – volgens de kranten nog onherstelbaarder dan de gelijktijdige dood van de eerste minister. Vorig jaar huilden de mensen echt. Nu lijken ze eraan gewend en aanvaarden ze dat de Dood hen elk jaar een panda ontneemt zoals draken dat in sprookjes doen met jonge vrouwen. Ik heb de volgende zin gehoord: De scheidingswand tussen leven en dood lijkt voor ons niet zo dik als voor een westerling. Wat ik meestal las in de ogen van mensen die gingen sterven, was verwondering. Wat ik op dit moment lees in de ogen van Japanse kinderen, is nieuwsgierigheid. Alsof ze, om de dood van een dier te begrijpen, dwars door de scheidingswand heen proberen te kijken.”

 

Derde bedrijf

       “Ik kom terug uit een land waar de Dood geen scheidingswand is die moet worden doorgebroken, maar een weg die moet worden gevolgd. De Grote Voorouder van de Bissagosarchipel beschreef ons de reisweg van de doden, en hoe ze zich verplaatsen van eiland naar eiland, volgens een strikt protocol, tot aan het laatste strand, waar ze zullen wachten op de boot naar de andere wereld. Als je ze per ongeluk ontmoet, mag je ze zeker niet herkennen.
       De Bissagos behoren tot Guinee-Bissau. In een oud filmfragment neemt Amílcar Cabral met een groet afscheid van de kust – hij heeft gelijk, hij zal haar nooit meer terugzien. Vijftien jaar later maakte Luís Cabral dezelfde groet op de prauw die ons terugbracht. Op dat moment werd Guinee-Bissau een natie en Luís de president. Iedereen die zich de oorlog herinnert, herinnert zich hem. Hij is de halfbroer van Amílcar, net zoals hem geboren uit een vermenging van Guinees en Kaapverdisch bloed, net zoals hem medeoprichter van een ongewone partij, de PAIGC,15 die door het verenigen van twee gekoloniseerde landen in eenzelfde strijd de federatie van twee staten aankondigt. Ik heb naar de verhalen van oud-guerrillastrijders geluisterd, die gevochten hebben in zulke onmenselijke omstandigheden dat ze de Portugese soldaten beklaagden omdat die moesten ondergaan wat zij hadden ondergaan – het is iets dat heb ik gehoord, samen met veel andere zaken die je je doen schamen dat je, al is het maar één enkele keer, zonder erbij na te denken, het woord guerrilla lichtzinnig hebt gebruikt om een bepaalde manier van filmen te benoemen ... Een woord dat in die tijd gelinkt was aan heel wat theoretische debatten, en ook aan vreselijke nederlagen op het terrein. Amílcar Cabral is de enige die een guerrillaoorlog heeft gewonnen – en niet enkel wat de militaire opmars betreft. Hij kent zijn volk, heeft het lang bestudeerd, hij wil dat een bevrijd gebied ook de aanzet van een ander soort van samenleving is. Socialistische landen zorgen ervoor dat ze de verzetsstrijders bewapenen, de sociaaldemocratieën dat ze de winkels van het volk vullen. En moge uiterst links het de Geschiedenis vergeven, maar als de guerrilla zich als een vis in het water voelt, is dat een beetje dankzij Zweden ... Amílcar is niet bang voor dubbelzinnigheden – hij kent de valkuilen. Hij schreef: Het is alsof we voor een grote rivier staan, stormachtig en met een sterke stroming, met mensen die proberen over te steken en verdrinken, maar ze zien geen andere uitweg, ze moeten oversteken ...
       En nu verplaatsen we ons naar Cassaca, op 17 februari 1980 – maar om alles goed te begrijpen moeten nog verder vooruit in de tijd: binnen een jaar zal president Luís Cabral in de gevangenis zitten, en de man die hij net heeft onderscheiden en die huilt, commandant Nino,16 zal de macht gegrepen hebben. De Partij zal uiteengespat zijn, Guineeërs en Kaapverdiërs zullen afzonderlijk ruziën over Amílcars erfenis. We zullen ontdekken dat er achter deze medailleceremonie, die voor de ogen van de bezoekers de broederschap van de strijd levendig hield, de verbittering van na de overwinning schuilging, en dat de tranen van Nino niet de ontroering van de oud-strijder verrieden, maar de gekrenkte trots van een held die zich niet voldoende onderscheiden voelt van de anderen. En achter elk van deze gezichten, een herinnering. En daar waar men ons zou willen doen geloven dat er zich een collectief geheugen heeft gevormd: duizend herinneringen van mensen die hun eigen wonde met zich mee dragen in de grote wonde van de Geschiedenis ... In Portugal, op zijn beurt omhooggetild door de vloedgolf vanuit Guinee-Bissau, schreef Miguel Torga, die zelf heel zijn leven had gestreden tegen de dictatuur: Elke figurant die erin verstrikt raakt, vertegenwoordigt enkel zichzelf ... In plaats van een verandering van de sociale arena, zoekt hij in de revolutionaire daad simpelweg de sublimering van zijn eigen beeld ... Het is op die manier dat de vloedgolf doorgaans inzakt, en zo voorspelbaar dat je werkelijk moet gaan geloven in een soort van geheugenverlies van de toekomst dat door de Geschiedenis wordt uitgedeeld aan wie zij rekruteert, uit genade of uit berekening. Amílcar vermoord door leden van zijn eigen partij, de bevrijde gebieden afhankelijk geworden van bloeddorstige tirannetjes, op hun beurt uit de weg geruimd door een centraal gezag waarvan iedereen de stabiliteit bezingt tot aan de militaire staatsgreep ... Het is op die manier dat de Geschiedenis voortschrijdt, het geheugen toestoppend, zoals we onze oren toestoppen. Zowel Luís die verbannen wordt naar Cuba, als Nino die op zijn beurt de complotten ontdekt die tegen hem beraamd worden, zullen altijd in staat zijn elkaar te dagvaarden voor haar rechtbank. Ze hoort niets, ze heeft maar één bondgenoot, die waarover Brando sprak in Apocalypse: de gruwel – die een naam en een gezicht heeft.
       Ik schrijf je dit allemaal uit een andere wereld, een wereld van verschijningen. Op een bepaalde manier staan beide werelden met elkaar in verbinding. Wat de herinnering is voor de ene, is de Geschiedenis voor de andere. Een onmogelijkheid. Legendes ontstaan vanuit de behoefte het ondoorgrondelijke te doorgronden. Herinneringen moeten genoegen nemen met hun eigen waan, met de idee dat ze op drift raken. Een stilstaand moment zou doorbranden, zoals een geblokkeerd filmbeeld in de smoorhete projector. Waanzin beschermt, net als koorts. Ik benijd Hayao en zijn Zone. Hij speelt met de tekens van zijn geheugen, hij speldt ze vast en versiert ze als insecten die zouden wegvliegen uit de Tijd en die hij zou kunnen aanschouwen vanuit een punt buiten de Tijd – de enige eeuwigheid die ons rest. Ik kijk naar zijn machines, ik denk aan een wereld waar elke herinnering haar eigen legende zou kunnen voortbrengen.”
       Hij schreef me dat slechts één film uitdrukking had kunnen geven aan het onmogelijke geheugen, het wilde geheugen. Een film van Hitchcock: Vertigo. In de spiraalvormige generiek zag hij de Tijd zich verwijderen en een steeds groter wordend veld bestrijken, een cycloon waarvan het nu, onbeweeglijk, het oog in zich draagt ... In San Francisco ging hij op bedevaart naar alle opnamelocaties. De bloemist Podesta Baldocchi, waar James Stewart Kim Novak bespiedt. Hij de jager, zij de prooi – of was het net omgekeerd? De tegelvloer was niet veranderd. Hij had met de auto alle heuvels van San Francisco doorkruist, de heuvels waar James Stewart/Scottie Kim Novak/Madeleine achtervolgt. Het lijkt te gaan om achtervolging, om raadsels, om moord – maar in werkelijkheid gaat het om macht en vrijheid, weemoed en betovering, zo zorgvuldig gecodeerd binnenin de Spiraal dat het je zou kunnen misleiden, waardoor je niet onmiddellijk beseft dat deze duizeling van de ruimte in feite staat voor de duizeling van de Tijd. Hij had alle sporen gevolgd, tot aan het kerkhof van Mission Dolores waar Madeleine kwam bidden op het graf van een sinds lang overleden vrouw die zij niet had moeten kennen. Hij had Madeleine gevolgd – zoals Scottie dat had gedaan – naar het Legion of Honor museum, voor het portret van een dode vrouw die zij niet had moeten kennen. En in het portret, zoals in het haar van Madeleine, de spiraal van de Tijd.

       Het kleine victoriaanse hotel waar Madeleine verdween, was zelf verdwenen. Beton was ervoor in de plaats gekomen op de hoek van Eddy en Gough. De doorsnede van de sequoia stond daarentegen nog altijd in Muir Woods. Madeleine wees er de korte afstand op aan tussen twee concentrische lijnen die de leeftijd van de boom meten en zei: “Mijn leven heeft zich binnen deze kleine ruimte afgespeeld.”17 Hij herinnerde zich een andere film waar dat fragment werd aangehaald: de sequoia was die van de Jardin des Plantes in Parijs en de hand wees naar een punt buiten de boom – buiten de Tijd.18

       Het beschilderde paard in San Juan Bautista, waarvan het oog op dat van Madeleine leek ... Hitchcock had niets uitgevonden, het was er allemaal. Hij had onder de bogen van de Missie gelopen zoals Madeleine haar dood tegemoet had gelopen – maar was het wel haar dood? Vanuit de valse toren – het enige wat Hitchcock had toegevoegd – stelde hij zich Scottie voor terwijl die wegzonk in de waanzin ‘van de liefde zelf’, in de onmogelijkheid om te leven met een herinnering zonder haar te vervalsen, en daarbij een dubbel voor Madeleine uitvond in een andere Tijdsdimensie, een Zone die enkel van hem zou zijn, en van waaruit hij het ondoorgrondelijke verhaal zou kunnen doorgronden dat was begonnen aan de Golden Gate toen hij Madeleine uit de baai van San Francisco had gevist, toen hij haar had gered van de dood vooraleer haar er weer in te storten – of was het net omgekeerd?

       “In San Francisco ben ik op bedevaart gegaan naar een film die ik negentien keer heb gezien. In IJsland heb ik de eerste aanzet gegeven tot een denkbeeldige film. Die zomer had ik op een weg drie kinderen ontmoet en was er een vulkaan uit de zee tevoorschijn gekomen. Nog een zet van de Toneelmeester ... Voor ze naar de Maan vertrokken kwamen Amerikaanse astronauten zich voorbereiden op dit stukje van de Aarde dat op haar leek. Ik zag er onmiddellijk het decor in voor een sciencefiction, het landschap van een andere planeet – of misschien niet, laat het dat van onze planeet zijn voor iemand die van elders komt, van erg ver. Ik stel me hem voor terwijl hij voortschrijdt over deze vulkanische grond die aan zijn zolen kleeft, met de traagheid van een duiker. Plots struikelt hij, en bij de volgende stap zijn we een jaar verder en wandelt hij op een klein pad dicht bij de Nederlandse grens, langs een reservaat voor zeevogels.
       Dat is pas een startpunt. Waarom nu deze knip in de tijd, deze overgang tussen herinneringen? Precies, hij is degene die het niet kan begrijpen. Hij komt niet van een andere planeet, hij komt uit onze toekomst. 4001, het tijdperk waarin het menselijke brein het stadium van zijn volle ontplooiing heeft bereikt. Alles werkt perfect, alles wat wij laten sluimeren, het geheugen inbegrepen. Logisch gevolg: een absoluut geheugen is een verdoofd geheugen. Na vele verhalen over mensen die aan geheugenverlies lijden, is hier het verhaal van een man die het vergeten is verloren ... – en die, door een aangeboren eigenaardigheid, in plaats van er trots op te zijn en de mensheid te verachten voor zijn verleden en zijn onwetendheid, er vanaf het eerste ogenblik nieuwsgierig naar is, vervolgens vol mededogen. In de wereld waar hij vandaan komt, kan het oproepen van een herinnering, het bewogen worden door een portret of het zinderen bij het luisteren naar muziek niets anders zijn dan een teken van een lange en pijnlijke voorgeschiedenis. Hij wil begrijpen. Hij ervaart de gebreken van de Tijd als een onrecht, en zoals Che, zoals de jongeren van de sixties, reageert hij met verontwaardiging op dit onrecht. Hij is een derdewereldactivist van de Tijd, de gedachte dat er in het verleden van zijn planeet ellende bestond, is voor hem even ondraaglijk als het bestaan van armoede in het heden voor hen.
       Uiteraard zal hij falen. De ellende die hij ontdekt is voor hem even ontoegankelijk als de armoede van een verpauperd land onvoorstelbaar voor de kinderen van een rijk land. Hij koos ervoor om afstand te doen van zijn privileges, maar hij kan niets beginnen tegen het privilege van die keuze. Zijn enige houvast is wat zijn absurde queeste op gang bracht: een liederencyclus van Moessorgski. Hij wordt nog steeds gezongen in de veertigste eeuw. De betekenis is verloren gaan, maar het is in die liederen dat hij voor het eerst de aanwezigheid ontwaarde van wat hij niet begreep, van wat met ellende en geheugen te maken had, van wat hij koste wat het kost moest proberen te begrijpen en waarheen hij was beginnen te wandelen, met de traagheid van een duiker.

       Natuurlijk zal ik die film nooit maken. Toch verzamel ik er decors voor, bedenk ik wendingen, geef ik een plaats aan mijn lievelingswezens, en geef ik hem zelfs een titel, die van de liederen van Moessorgski: Zonder zon.

       Op 15 mei 1945, om 7 uur ’s ochtends, zal het 382ste regiment van de Amerikaanse infanterie een heuvel op Okinawa, omgedoopt tot Dick Hill, bestormen. Ik vermoed dat de Amerikanen zelf Japans grondgebied dachten te veroveren, en dat ze niets wisten over de beschaving van de Riukiu. Ik ook niet, behalve dat de gezichten van de verkoopsters op de markt van Itoman me meer deed denken aan Gauguin dan aan Utamaro. Gedurende eeuwen van dromerig vazalschap was de Tijd blijven stilstaan op de archipel en toen volgde de ommekeer. Is het een kenmerk van eilanden om van de vrouwen de geheugenbewaarders te maken? Ik leerde dat, net als op de Bissagos, het magische denken door de vrouwen wordt overgeleverd: elke gemeenschap heeft haar priesteres, de Noro, die alle rituelen leidt, met uitzondering van de begrafenissen. De Japanners verdedigden hun stellingen centimeter per centimeter, op het einde van de dag waren de twee halve legereenheden, samengesteld uit de restanten van compagnie L, slechts tot halverwege de heuvel gevorderd. Een heuvel die erg leek op diegene waar ik een groep dorpelingen volgde die onderweg waren naar een zuiveringsceremonie. De Noro staat in contact met de goden van de zee, de regen, het land, het vuur. Ze spreekt erover als over familieleden die het zouden hebben gemaakt. Iedereen buigt voor de Godin-Zus, die de absolute weerspiegeling is van de bevoorrechte relatie tussen broer en zus. Zelfs na haar dood behoudt de zus haar spirituele overwicht. Bij dageraad trekt het Amerikaanse leger zich terug en er zou nog meer dan een maand worden gevochten voor het eiland zich zou overgeven – en in de moderne wereld zou tuimelen. Zevenentwintig jaar Amerikaanse bezetting, het herstel van een betwiste Japanse soevereiniteit: op twee kilometer van de bowlingbanen en de benzinestations blijft de Noro met de goden spreken. Na haar zal de dialoog afbreken. Broers zullen niet meer weten dat hun dode zus over hen waakt.
       Toen ik deze ceremonie filmde, wist ik dat ik getuige was van het einde van iets. Magische culturen die verdwijnen laten sporen achter voor diegenen die na hen komen, deze zal er geen achterlaten. De breuk van de Geschiedenis is te gewelddadig geweest. Bovenop de heuvel heb ik deze breuk ervaren, zoals ik haar had ervaren aan de rand van de grafkuil waar in 1945 tweehonderd meisjes zelfmoord hadden gepleegd met granaten om niet levend in Amerikaanse handen te vallen. Mensen laten zich fotograferen voor de grafkuil. Aan de overkant verkoopt men souveniraanstekers in de vorm van granaten.

       Op de machine van Hayao lijkt de oorlog op brieven die verbrand worden en die vergaan in een vlammenzee. De codenaam voor Pearl Harbor was Tora, Tora, Tora: de naam van de kat waarvoor het koppel in Gōtoku-ji bad. Op die manier zal dat alles dus begonnen zijn met de naam van een kat, driemaal uitgesproken.
       Ter hoogte van Okinawa stortten de kamikazes zich op de Amerikaanse vloot. Ze zouden een legende worden. Ze leenden zich er natuurlijk beter toe dan de speciale eenheden die hun gevangenen blootstelden aan de vrieskou van Mantsjoerije en dan aan heet water, om na te gaan hoe snel vlees van botten loskomt. Je zou hun laatste brieven moeten lezen om te beseffen dat de kamikazes niet allemaal vrijwilligers waren, noch opgehitste samoerai. Voor hij zijn laatste kopje sake dronk, had Ryōji Uehara geschreven: Ik heb altijd gedacht dat Japan vrij moest leven om eeuwig te leven. Het kan idioot lijken om dat vandaag te zeggen, onder een totalitair regime ... Wij kamikazepiloten, wij zijn machines, we hebben niets te zeggen, behalve onze landgenoten te smeken om van Japan het grootse land van onze dromen te maken. In het vliegtuig ben ik een machine, een stukje magnetisch ijzer dat zich zal vasthechten aan een vliegdekschip, maar eenmaal op aarde ben ik een mens, met gevoelens en hartstochten ... Neem me deze verwarde gedachten niet kwalijk. Ik laat jullie een weemoedig beeld na, maar diep in mijn hart ben ik gelukkig. Ik heb oprecht gesproken. Vergeef me.

 

Vierde bedrijf

       Bij elke terugkeer uit Afrika, deed hij het eiland Sal aan, dat eigenlijk een zoutrots is midden in de Atlantische Oceaan. Aan het einde van het eiland, voorbij het dorp Santa Maria en de begraafplaats met beschilderde graven, hoef je maar enkele stappen te zetten om op de woestijn te botsen.
       Hij schreef me: “Ik begrijp de visioenen. Plotsklaps ben je in de woestijn zoals in de nacht. Al wat geen woestijn is, bestaat niet meer. De beelden die opdoemen weiger je te geloven.
       Heb ik je geschreven dat er emoes waren in Île-de-France? Die naam, Île-de-France, klinkt vreemd in de oren op het eiland Sal. Mijn geheugen legt twee torens over elkaar, die van het bouwvallige kasteel van Montépilloy, dat dienstdeed als tussenstop voor Jeanne d’Arc, en die van de vuurtoren van het zuidelijke punt van Sal, een van de laatste vuurtorens, kan ik me voorstellen, die op petroleum werkt.
       De aanwezigheid van een vuurtoren in de Sahel geeft de indruk van een collage, zolang je de zee niet hebt opgemerkt aan de rand van het zand en het zout. De bemanning van langeafstandsvluchten wordt afgelost op Sal. Hun club voorziet deze grens van de leegte van een vleugje badplaats, wat de rest nog onwezenlijker maakt. Ze voeden de zwerfhonden die op het strand wonen.
       Ik trof ze vanavond erg onrustig aan, mijn honden. Ze speelden met de zee zoals ik ze hiervoor nog nooit had zien doen. Het is door later naar Radio Hongkong te luisteren dat ik het begreep: het was die dag de eerste dag van het nieuwe maanjaar, en voor het eerst in zestig jaar kruiste het teken van de Hond het teken van Water.
       Daarginds, op achttienduizend kilometer, blijft een enkele schaduw bewegingsloos te midden van de lange bewegende schaduwen die het januarilicht over de grond van Tokio laat glijden: de schaduw van de boeddhistische monnik van Asakusa.

       Want ook in Japan begint het jaar van de Hond. De tempels lopen over van bezoekers die, op z’n Japans, een muntstuk komen gooien en bidden: een gebed dat het leven binnensluipt zonder het te onderbreken.
       Verloren aan het einde van de wereld, in gezelschap van mijn brutale honden op mijn eiland Sal, herinner ik mij die januarimaand in Tokio, of ik herinner me eerder de beelden die ik heb gefilmd in die januarimaand in Tokio. Ze hebben nu de plaats ingenomen van mijn herinnering, ze zijn mijn herinnering. Ik vraag me af hoe mensen die niet filmen, niet fotograferen, geen video’s opnemen, zich herinneren. Hoe slaagde de mensheid er vroeger in zich te herinneren ... Ik weet het, ze schreef de Bijbel. De nieuwe Bijbel zal de eeuwigdurende magneetband zijn van een Tijd die zichzelf voortdurend zal moeten herlezen alleen maar om te weten dat hij heeft bestaan. In afwachting van het jaar 4001 en zijn absoluut geheugen, is dit wat de orakelspreuken die we op nieuwjaar uit hun lange zeshoekige dozen halen, ons kunnen beloven: een klein beetje meer macht over het geheugen dat zoals Jeanne d’Arc van tussenstop naar tussenstop trekt, dat een bericht ontvangen op een Kaapverdisch eiland via de korte golf van de radio-omroep uit Hongkong naar Tokio projecteert en dat de herinnering aan een specifieke kleur op straat terugkaatst naar een ander land, een andere afstand, andere muziek, zonder ooit op te houden.

       Op het einde van de weg van het geheugen zijn de beeldtekens in Île-de-France niet minder raadselachtig dan de kanji19 in Tokio in het wonderbaarlijke licht van nieuwjaar. Het is een mooie nawinter.20 Het is alsof de lucht het eerste element is dat gelouterd verschijnt uit de ontelbare ceremonies waarmee de Japanners zich zuiveren van het ene jaar om het volgende in te gaan. Een hele maand is voor hen net genoeg om alle verplichtingen na te komen die de beleefdheid ten opzichte van de Tijd met zich meebrengt. De interessantste is ongetwijfeld de aankoop van een Uso-vogel in de tempel van Tenjin, die volgens de ene traditie al je leugens van het komende jaar opeet, en volgens een andere de leugens omzet in waarheden.

       Maar wat kleur geeft aan de januaristraat, wat haar eensklaps anders maakt, is de verschijning van de kimono’s. Op straat, in de winkels en kantoren, zelfs op de openingsdag in de beurs, halen de jonge vrouwen hun winterkimono’s met bontkraag tevoorschijn. Op dat moment van het jaar mogen andere Japanners ultraplatte televisieschermen uitvinden, zelfmoord plegen met een kettingzaag of twee derde van de wereldmarkt van halfgeleiders veroveren, maar nee hoor: je hebt enkel oog voor de jonge vrouwen ...
       15 januari is de dag van de volwassenwording, een verplichte viering in het leven van een jonge Japanse. Het gemeentebestuur deelt zakjes uit vol geschenken, agenda’s, raadgevingen, hoe een goede burger te zijn, een goede moeder, een goede echtgenote. Die dag kan elke jonge vrouw van twintig kosteloos naar haar familie bellen, gelijk waar in Japan. Werk, familie, vaderland, het is de wachtkamer van het volwassen leven. De wereld van de Takenoko en de rockzangers schiet weg als een raket. Sprekers leggen uit wat de samenleving van hen verwacht. Hoelang zal het duren om het Geheim te vergeten?

       En dan, wanneer alle feesten achter de rug zijn, rest enkel nog het verzamelen van alle versieringen, alle feestaccessoires, en door alles te verbranden, opnieuw een feest te vieren.
       Het is het dondoyaki. Een shinto-zegening over het afval dat recht heeft op onsterfelijkheid, zoals de poppen van Ueno. Het laatste stadium, voor hun verdwijning, van de aangrijpendheid der dingen. De eenogige geest Daruma zwaait de scepter bovenop de brandstapel. Achterlaten moet een feest zijn, verscheuren moet een feest zijn, het afscheid van alles wat je hebt verloren, gebroken, versleten, moet verheven worden met een ceremonie. Het is in Japan dat de wens van dhr. de Montherlant vervuld zou kunnen worden, dat een scheiding een sacrament zou worden. Het enige verwarrende aan dit ritueel zal de rondedans geweest zijn van de kinderen die op de grond slaan met hun lange stokken. Ik heb maar één verklaring gekregen – een eigenaardige, hoewel het voor mij de vorm zou kunnen aannemen van een kleine intieme dienst: het was om de mollen te verjagen.
       En dat is waar mijn drie IJslandse kinderen vanzelf op de proppen kwamen. Ik hernam de hele opname en voegde dat ietwat wazige einde toe, dat trillende kader, door de kracht van de wind die ons geselde op de klif. Alles dat ik eruit had geknipt om het ‘netjes te maken’ en dat beter dan de rest uitdrukte wat ik op dat moment zag, waarom ik het met grote krachtsinspanning aanhield, volledig ingezoomd, tot aan het laatste 25ste van een seconde ... De stad Heimaey strekte zich onder ons uit, en toen Haroun Tazieff me vijf jaar later de beelden stuurde die hij op dezelfde plaats had gedraaid, ontbrak enkel de term om duidelijk te maken dat de natuur haar eigen dondoyaki volbrengt. De vulkaan op het eiland was ontwaakt. Ik keek naar de beelden en het was alsof het hele jaar 1965 net overdekt was met as.
       Het volstond dus om te wachten tot de planeet zelf het werk van de Tijd ensceneerde. Ik zag de plaats waar mijn venster was geweest, ik zag vertrouwde daken en balkons uitsteken, de oriëntatiepunten van de wandelingen die ik elke dag maakte door de stad en tot aan de klif waar ik de kinderen had ontmoet. De kat met de witte sokken die Garouk21 tactvol voor mij had gefilmd, vond natuurlijk haar plaats en ik dacht dat van alle gebeden tot de Tijd die deze reis hadden afgebakend, de eerlijkste die van de vrouw in Gōtoku-ji was, die simpelweg tegen haar poes Tora zei: Dierbare poes, waar je ook bent, moge je zielenrust vinden.
       En vervolgens ging de reis, op haar beurt, de Zone binnen. Hayao toonde me mijn beelden, die reeds door het mos van de Tijd waren aangetast, bevrijd van de leugen die het bestaan van deze momenten, opgeslokt door de Spiraal, had verlengd.

       Toen het lente werd, toen elke raaf haar komst aankondigde door haar roep met een halve toon te verhogen, nam ik de groene trein van de Yamanote-lijn en stapte ik uit in het station van Tokio naast het hoofdpostkantoor. Hoewel de straat verlaten was, stopte ik voor het rood, op z’n Japans, om ruimte te bieden aan de geesten van kapotte auto’s. Hoewel ik geen enkele brief verwachtte, bleef ik staan voor de poste restante, want je moet de geesten van verscheurde brieven eren, en voor het loket van de luchtpost, om de geesten van niet-verstuurde brieven te groeten. Ik nam de maat van de onuitstaanbare pretentie van de westerse wereld die niet ophoudt het zijn boven het niet-zijn, het gezegde boven het ongezegde, te bevoorrechten. Ik liep langs de kleine kraampjes van de klerenverkopers. In de verte hoorde ik de stem van dhr. Akao, die een halve toon was verhoogd, galmend door de luidsprekers. Ten slotte daalde ik af in de kelder waar mijn vriend, de maniak, druk in de weer was met zijn elektronische graffiti. Eigenlijk ontroert zijn taal mij omdat ze spreekt tot het deel van ons dat koppig silouetten blijft tekenen op gevangenismuren. Een krijtje om de contouren te traceren van wat niet is, of niet meer, of nog niet. Een schrift dat iedereen zal gebruiken om zijn eigen lijst samen te stellen van dingen die het hart sneller doen kloppen, om het aan te bieden, of het uit te wissen. Op dat moment zal iedereen poëzie maken en zullen er emoes zijn in de Zone.”

       Hij schrijft me uit Japan, hij schrijft me uit Afrika. Hij schrijft me dat hij nu de blik van de vrouw op de markt van Praia kan vastleggen, de blik die niet langer duurde dan de lengte van een filmbeeld.
       Zal er ooit een laatste brief zijn? 

 

Eindgeneriek

De brieven van Sandor Krasna22 worden voorgelezen door
Florence Delay in de Franse versie,
Alexandra Stewart in de Engelse versie.
Elektroakoestisch geluid: Michel Krasna23
(Thema van Sans soleil: M. Moessorgski)
Valse triste van Sibelius bewerkt door Isao Tomita
Zang: Arielle Dombasle
Geluidsmix: Antoine Bonfanti - Paul Bertault
Gebruikte beelden:
Sana Na N’Hada (Carnaval in Bissau)
Jean-Michel Humeau (Medailleceremonie)
Mario Marret, Eugenio Bentivoglio (Guerrilla in Bissau)
Danièle Tessier (Dood van een giraf)
Haroun Tazieff (IJsland 1970)
Vrienden en raadgevers:
Kazuko Kawakita, Hayao Shibata, Ichiro Hagiwara, Kazue Kobata,
Keiko Murata, Yuko Fukusaki (in Tokio)
Tom Luddy, Anthony Reveaux, Manuela Adelman (in San Francisco)
Pierre Lhomme, Jimmy Glasberg, Ghislain Cloquet, A.S.C.
bijgestaan door Eric Dumage, Dominique Gentil, Arthur Cloquet (in Parijs)
Regieassistent: Pierre Camus
Montageassistenten: Anne-Marie L’Hote, Catherine Adda
Titelgenerator: Martin-Boschet - Roger Grange
Speciale effecten: Hayao Yamaneko
Beeldsynthesizer: EMS Spectre
Klanksynthesizers: EMS/VCS 3 - Moog Source
Laboratoire LTC (Kleurbewerking: Marcel Mazoyer)
Auditoriums SIS - AUDITEL
Visa de contrôle n° 53055
       Argos-Films 1982
Compositie en montage: Chris. Marker24

  • 1. Uit het tweede voorwoord bij Bajazet van Jean Racine (1672): « L’éloignement des pays répare en quelque sorte la trop grande proximité des temps... ». Het citaat gaat de publicatie van de voice-over van Sans soleil (Chris Marker, 1983) vooraf in Trafic n° 6 (Paris: P.O.L éditeur, Printemps 1993), 79-97. [eigen vertaling]
  • 2. T.S. Eliot, ‘Aswoensdag’ in T.S. Eliot, Gedichten. Keuze uit zijn poëzie. Engelse tekst, vertalingen en commentaren, samengesteld door W. Bronzwaer (Amsterdam: Uitgeverij Ambo, 1983), 168-204. Het citaat uit ‘Ash-Wednesday’ (1930) gaat de film vooraf: “Because I know that time is always time / And place is always and only place...”. [vertaling Michel van der Plas]
  • 3. Zowel in de Franse als de Engelse voice-over gebruikt Chris Marker het woord ‘lumpen’, denk ook aan de term ‘Lumpenproletariat’ [‘lompenproletariaat’]. [noot van de vertaler]
  • 4. In de Engelse voice-over is dit: “He who didn’t give a damn if the Dodgers won the pennant or about the results of the Daily Double asked feverishly how Chiyonofuji had done in the last sumo tournament.” [noot van de vertaler]
  • 5. La famille Fenouillard is een van de eerste Franse stripverhalen. Het is een absurde en burleske karikatuur van de Franse bourgeoisie, getekend en geschreven tussen 1889 en 1893 door Christophe, de nom de plume van Marie-Louis-Georges Colomb. Een van de verhalen speelt zich af in Japan. [noot van de vertaler]
  • 6. Nippon Hōsō Kyōkai (NHK) is de publieke omroep van Japan. [noot van de vertaler]
  • 7. Grootwarenhuis in hartje Parijs dat in 2005 werd gesloten.
  • 8. Guanyin is de Chinese interpretatie van de bodhisattva Avalokiteśvara, de godin van de troost en de genade. [noot van de vertaler]
  • 9. Computerchips. [noot van de vertaler]
  • 10. De internationale luchthaven Paris-Charles de Gaulle, die ook als Roissy of simpelweg Charles de Gaulle bekendstaat. [noot van de vertaler]
  • 11. Een film van Vincente Minnelli uit 1954. Brigadoon is een dorpje waar de tijd is blijven stilstaan en dat slechts één keer per honderd jaar uit de mist oprijst om na een dag alweer te verdwijnen. [noot van de vertaler]
  • 12. Referentie aan de Zone uit Andrej Tarkovski’s film Stalker uit 1979. [noot van de vertaler]
  • 13. In de Engelse voice-over is dit: “to be eaten on the spot like fresh doughnuts.” [!] [noot van de vertaler]
  • 14. Een film van Marcel Carné uit 1942. Op het einde van de film worden de twee geliefden, Anne en Gilles, door de duivel in stenen beelden omgetoverd. Hij zegt: “Daar heb je de stilte waarvan ik hou. Doodse stilte.” [« Voilà bien le silence que j’aime. Un silence de mort. »]. Maar het hart van de geliefden blijft kloppen. De duivel roept: “Wat is dat? Wat is dat geluid? Maar het is hun hart dat ik hoor! Hun hart dat klopt! Dat blijft kloppen!” Hij legt zijn oor op de borst van de versteende geliefden. “Dat klopt! Dat klopt! Dat klopt! ...” Tot hij langzaam oplost in de lucht. [« Qu’est-ce que c’est ? Quel est ce bruit ? Mais c’est leur cœur que j’entends ! Leur cœur qui bat ! Qui ne cesse de battre ! Qui bat ! Qui bat ! Qui bat ! ... »]. [noot van de vertaler]
  • 15. Partido Africano da Independência de Guiné e Cabo Verde. [noot van de vertaler]
  • 16. João Bernardo ‘Nino’ Vieira was lid van de PAIGC in de jaren 1960 en 1970 en na een geweldloze staatsgreep in 1980 de president van Guinee-Bissau tot 1999. Van 2005 tot aan zijn dood in 2009 was hij opnieuw president. [noot van de vertaler]
  • 17. De originele Engelse dialoog van de film is: “Hier ben ik geboren ... en daar stierf ik.” [“Here I was born, and there I died.”]. [noot van de vertaler]
  • 18. Slinkse verwijzing naar een andere film van Chris Marker: La jetée uit 1962. [noot van de vertaler]
  • 19. Japanse karaktertekens ontleend aan het Chinees. Kanji betekent ‘schrifttekens van Han’, is een van de drie Japanse schriften, samen met katakana en hiragana, en is logografisch: elk karakterteken geeft één woord weer. [noot van de vertaler]
  • 20. In de Franse voice-over wordt het volgende (onvertaalbare) gezegd: « C’est l’hiver indien. ». [noot van de vertaler]
  • 21. Koosnaam voor Haroun Tazieff. [noot van de vertaler]
  • 22. Chris Markers alter ego voor de film: het personage dat de voorgelezen brieven verstuurde, de ‘hij’ in de voice-over, de ‘ik’ in de brieven. [noot van de vertaler]
  • 23. Een ander alter ego voor de film: de broer van Sandor Krasna? [noot van de vertaler]
  • 24. De enige vermelding van Markers auteurschap. [noot van de vertaler]

Voice-over van Sans soleil (Chris Marker, 1983).

Met bijzonder veel dank aan Jan-Lodewijk Grootaers

 

Alle beelden uit Sans soleil (Chris Marker, 1983)