Verlangen naar de ander

“Is liefde enkel mogelijk tussen leden van dezelfde diersoort? Of kan een paard verliefd worden op een slang, of op een kersenboom?”, dit vraagt Peter zich af nadat zijn vrouw Margaret haar minnaar Max in huis genomen heeft. Peter en Margaret hebben een open relatie. Het stel behoort tot de intellectuele elite en ze kunnen elkaar in alle redelijkheid niets verbieden. Vanuit hun bevoorrechte positie kijken ze neer op het kleinburgerlijke idee van monogamie. In hun geordende huwelijk is liefde voor een ander mogelijk. Maar de definitie van ‘de ander’ wordt nu tot het uiterste gedreven. Max is namelijk een chimpansee.

Hij krijgt een eigen kamer in hun appartement, waar Margaret hem dagelijks een bezoekje brengt. De gouden sleutel tot die kamer ligt in haar nachtkastje. Die sleutel opent iedere nacht het geheim naar een liefde tussen aap en mens. Peter raakt meer en meer geobsedeerd door zijn rivaal. Hij wil zien wat er gebeurt in die magische momenten waarop hun liefde vorm krijgt en Max, net als Margaret, naakt wordt. Maar Margaret weigert categorisch om hem binnen te laten in hun kamer. Uiteindelijk vinden ze een compromis: Peter mag door het sleutelgat kijken. De Japanse regisseur Nagisa Ôshima amuseert zich duidelijk met symboliek; de voyeur en het sleutelgat zijn onlosmakelijk verbonden. Hij kijkt door het sleutelgat naar het verbodene zonder gezien te worden, zonder dat de ander zelfs weet of zij of hij bekeken wordt. Tegenover degene achter het sleutelgat is ieder weerloos overgeleverd aan een onzichtbare blik. De voyeur wisselt geen blikken uit, maar consumeert het beeld van de ander.

(1) Max mon amour (Nagisa Ôshima, 1986)

Peter gluurt door een sleutelgat naar Max. Maar het idee overheerst dat er geen sleutelgat nodig is wanneer we een dier bespieden. Het kijken naar dieren is altijd voyeuristisch, omdat ze niet terug kunnen kijken. Voor ons zijn ze slechts buitenkant. Achter hun verenkleed en glanzende vacht zit een zwarte doos waarin zich processen afspelen die voor ons verborgen blijven. De blik van een dier komt voort uit een belevingswereld die geen raakvlakken heeft met de onze. Een blik van een mens kan ons het schaamrood op de wangen brengen omdat we onze zelfkritiek spiegelen in de ander. Maar dieren weerspiegelen niets dan hun anders-zijn.

Toch lijkt het op sommige momenten of die ander vanuit zijn eigen werkelijkheid zo de onze binnen gluurt. Jacques Derrida beschreef een opmerkelijke gewaarwording toen hij samen met zijn kat in zijn badkamer was. Terwijl hij een douche nam, zat zijn kat hem doodgemoedereerd te bekijken. Tot zijn verbazing overviel hem een soort van schaamte. “Daar sta ik dan, naakt onder de blik van wat men een ‘dier’ noemt en een fictief tableau speelt zich in mijn verbeelding af, een soort van classificatie na Linnaeus, een taxonomie van de blik van dieren.”

Cinema is het museum van blikken, en bovendien het rijk van de liefde. Er worden smachtende blikken afgevuurd en ten slotte vinden zielsverwanten elkaar in een vurige oogopslag. Max mon amour (1986) is een experiment met een blik die radicaal andersoortig is. Een aap kijkt naar een vrouw, ja, hij kijkt zelfs verliefd naar haar. Hier wordt het spannend, want Max hoort in een kooi, achter tralies. Tussen wilde dieren en mensen lijkt een barrière van spijlen onontbeerlijk. Serge Daney heeft het in een van zijn teksten over de magie die ontstaat wanneer twee schijnbaar onverenigbare elementen samenkomen, zoals een actrice dat met gevaar voor eigen leven het kader deelt met een roofdier. Figuurlijk noemt hij de geschiedenis van de cinema een van wilde dieren. “Niet de continuïteit doorbreken, maar daarbinnen een breuk voorbij laten komen op de lopende band van de aanwezigheid, door het verschil te verinnerlijken tot een aanwezigheid op zich.”

(2) Max mon amour (Nagisa Ôshima, 1986)

Wanneer Margaret en Max samen in beeld zijn is er steeds een derde aanwezigheid; die van een schijnbaar onmogelijke realiteit. Tijdens een diner met vrienden wordt Max uitgenodigd aan tafel. Hij speelt met zijn eten en gooit een antieke vaas op de grond terwijl het gezelschap hun gesofisticeerde gesprekken probeert voort te zetten. Dan kijkt Max plotseling diep in Margarets ogen en bevinden de tafelgenoten zich in een al te intiem moment. Gesprekken verstommen bij de aanblik van dit koppel. Max maakt de situatie onmogelijk, eenvoudigweg door een aap te zijn. De onverenigbaarheid tussen Max en het gezelschap wordt zichtbaar door hen gelijkwaardig, in één kader samen te brengen.

De manier waarop hij diep in de ogen van Margaret kijkt choqueert. Zijn blik brengt ieders fantasie op hol. Het verliefde dier is een aberratie! Voor je het weet komt de parade van verliefde honden, zanglijsters, kersenbomen, waterdruppels en kiezelstenen in beweging. De tederheid van Sergei Paradjanov voor een zeeschelp, Robert Bressons affectie voor een ezel en Jean Epsteins adoratie voor brekende golven, die liefde is het bezit van de mensen. Dieren en dingen kunnen hun hartstochten niet delen, want ze kunnen hun waarnemingen niet herscheppen.

Zonder bewijs van hun waarneming is het onmogelijk een taxonomie van de dierlijke blik te ontwikkelen. Wezens zoals Max maken geen films of kunst. Ze schrijven geen boeken, want ze kennen geen taal. En zo blijft de afgrond tussen Max en zijn geliefde bestaan. John Berger schreef: “De kloof tussen twee mensen kan worden overbrugd door taal. Zelfs wanneer de ontmoeting vijandig is en er geen taal wordt gebruikt, wordt hun bestaan door de ander bevestigd doordat taal bestaat. Taal stelt mensen in staat zich tot anderen te verhouden als tot henzelf. Geen dier bevestigt mensen, positief noch negatief. Zijn gebrek aan een gemeenschappelijke taal, zijn stilte, garandeert zijn afstand, zijn afzondering en uitsluiting van mensen.”

De gouden sleutel blijft veilig in Margarets nachtkastje opgeborgen. De open relatie van het stel is gered, maar in deze driehoeksverhouding is er iemand die stilzwijgend overgeleverd blijft aan de verlangens van een ander. Ze kunnen gerust zijn; Max zal nooit protest aantekenen. 

Geraadpleegde werken:

Jacques Derrida. The Animal That Therefore I Am. New York: Fordham University Press, 2006.

Serge Daney. Een ruimte om in te bewegen. Amsterdam: Octavo, 2011.

John Berger. “Why Look at Animals?”, in About Looking, John Berger, 3-28. New York: Vintage Books, 1991.

 

Beelden (1) en (2) uit Max mon amour (Nagisa Ôshima, 1986)

ARTICLE
26.04.2017
NL
In Passage, Sabzian invites film critics, authors, filmmakers and spectators to send a text or fragment on cinema that left a lasting impression.
Pour Passage, Sabzian demande à des critiques de cinéma, auteurs, cinéastes et spectateurs un texte ou un fragment qui les a marqués.
In Passage vraagt Sabzian filmcritici, auteurs, filmmakers en toeschouwers naar een tekst of een fragment dat ooit een blijvende indruk op hen achterliet.
The Prisma section is a series of short reflections on cinema. A Prisma always has the same length – exactly 2000 characters – and is accompanied by one image. It is a short-distance exercise, a miniature text in which one detail or element is refracted into the spectrum of a larger idea or observation.
La rubrique Prisma est une série de courtes réflexions sur le cinéma. Tous les Prisma ont la même longueur – exactement 2000 caractères – et sont accompagnés d'une seule image. Exercices à courte distance, les Prisma consistent en un texte miniature dans lequel un détail ou élément se détache du spectre d'une penséée ou observation plus large.
De Prisma-rubriek is een reeks korte reflecties over cinema. Een Prisma heeft altijd dezelfde lengte – precies 2000 tekens – en wordt begeleid door één beeld. Een Prisma is een oefening op de korte afstand, een miniatuurtekst waarin één detail of element in het spectrum van een grotere gedachte of observatie breekt.
Jacques Tati once said, “I want the film to start the moment you leave the cinema.” A film fixes itself in your movements and your way of looking at things. After a Chaplin film, you catch yourself doing clumsy jumps, after a Rohmer it’s always summer, and the ghost of Akerman undeniably haunts the kitchen. In this feature, a Sabzian editor takes a film outside and discovers cross-connections between cinema and life.
Jacques Tati once said, “I want the film to start the moment you leave the cinema.” A film fixes itself in your movements and your way of looking at things. After a Chaplin film, you catch yourself doing clumsy jumps, after a Rohmer it’s always summer, and the ghost of Akerman undeniably haunts the kitchen. In this feature, a Sabzian editor takes a film outside and discovers cross-connections between cinema and life.
Jacques Tati zei ooit: “Ik wil dat de film begint op het moment dat je de cinemazaal verlaat.” Een film zet zich vast in je bewegingen en je manier van kijken. Na een film van Chaplin betrap je jezelf op klungelige sprongen, na een Rohmer is het altijd zomer en de geest van Chantal Akerman waart onomstotelijk rond in de keuken. In deze rubriek neemt een Sabzian-redactielid een film mee naar buiten en ontwaart kruisverbindingen tussen cinema en leven.