Films byTexts by Daniel Fairfax
article NL EN
08.11.2017

Op het eerste gezicht lijkt het een tegenstrijdigheid, een historische ironie: Jean-Louis Comolli – de redacteur van Cahiers du Cinéma tijdens hun althusseriaans-marxistische periode in de late jaren zestig en vroege jaren zeventig, de auteur van enkele van de belangrijkste kritische teksten over het ideologische karakter van de ‘realiteitsimpressie’ in cinema (‘Cinéma/idéologie/critique’, een redacteursmanifest dat mede ondertekend werd door Jean Narboni, en de reeks artikelen ‘Technique et idéologie’) – die zich ontpopt heeft tot een productieve en hoog aangeschreven filmmaker, met een filmografie die loopt van de jaren zeventig tot nu en die meer dan vijftig werken omvat, zowel voor cinema als voor televisie. Is deze overgang van filmtheorie naar filmpraktijk een verbluffende ommezwaai, een daad van theoretische afvalligheid tegenover de revolutionaire geest na ’68 – zoals gewoonlijk het geval is bij voormalige soixante-huitards? Geenszins.

article NL EN
08.11.2017

At first it seems like a contradiction, a historical irony: Jean-Louis Comolli – the editor of Cahiers du Cinéma during its period of Althusserian Marxism in the late 1960s and early 1970s, the author of some of the most important texts to critique the ideological nature of the “impression of reality” in the cinema (‘Cinéma/idéologie/critique,’ a manifesto-editorial co-signed with Jean Narboni, and the series of articles ‘Technique et idéologie’) – has gone onto become a prolific, highly regarded documentary filmmaker, with a filmography that stretches from the 1970s to the present day and includes more than fifty titles, made for both cinema and television. Is this transition from film theory to film practice a stunning volte-face, a theoretical apostasy from the revolutionary ethos of the post-1968 era, so common among other soixante-huitards? Nothing of the sort.

article NL
12.07.2017

“Als gevolg van hun inschrijving in een kader, en hun verloop over een specifieke tijdsduur, behoren de ISIS-clips wel degelijk tot de categorie van de cinema.” Dit gegeven, zo geeft Comolli grif toe, “ontzet mij, en richt ten gronde wat van mijn jonge cinefilie overblijft, maar het is een feit.” Wat in lijn met Comolli’s voorgaande theoretische werk een titanenstrijd tussen twee vijandige systemen (cinema tegen het spektakel) zou kunnen heten, wordt hier eerder voorgesteld als een audiovisuele burgeroorlog binnen de cinema zelf (cinema tegen cinema).