Sabzian

Zing dan, Hostie!

6/10/2015
Rudy Kousbroek
PRINTER-FRIENDLY VERSION

 

Toen ik deze foto zag was ik als geëlektriseerd.

Een meneer en een mevrouw, uitzinnig verliefd op elkaar. Dat komt voor, vroeger althans, toen zag je dat soms; nu zijn het alleen nog maar adolescenten, onwetend van uitzinnig. Deze gelieven zijn omgevallen met stoel en al. Bij zo’n foto geef ik mij meteen gewonnen, zoals een gelovige bij een heilige afbeelding. Het drong niet meteen tot me door dat het een scène is afkomstig uit de film L’âge d’or van Luis Buñuel, gemaakt in 1930, ik kon het eerst niet thuisbrengen. Een heer en een dame die het met elkaar willen doen: razend, hartstochtelijk, onbeheersbaar. Waar ze ook zijn, ze proberen het meteen opnieuw, maar telkens komt er wat tussen, zoals in een droom.

Ik heb deze film gezien toen ik twintig was. De vertoning was heel opwindend, want clandestien, in 1950 in een ciné-club in Parijs. Iedereen deed heel schichtig, L’âge d’or was verboden sinds 1934, dat hoorde je voortdurend fluisteren, maar er waren illegale kopieën in omloop. In mijn hoofd zijn het voornamelijk verwarde beelden, maar dat waren het ook. In eerste instantie zie ik skeletten aangekleed als bisschoppen, telkens het doek vol gouden mijters. Maar dat moet ik er bij hebben gemaakt, want het was geen kleurenfilm. Naar verluidde was er een vagebond gespeeld door Max Ernst, maar ik wist niet wie Max Ernst was. Ik herinner me ook dat een blinde die de straat wil oversteken niet wordt geholpen maar in elkaar geslagen. Daar werd bij geapplaudisseerd.

Als ik de film methodisch probeer te reconstrueren zie ik eerst een opname van schorpioenen en dan een liefdesscène in de modder. Zoiets had ik nog nooit gezien, ik had het niet meer. Dan was er iets met een schip, ik kan het niet duiden want de episode breekt af in mijn geheugen en komt niet meer terug, wat ik ook doe. Andere beelden komen alsmaar opnieuw, beelden van dwalen door de stad en van een deftig diner, met allerlei incidenten waar niemand zich wat van aantrekt, de keukenmeid vliegt in brand en iedereen doet of het heel gewoon is – en dan steeds weer die verliefde mensen met maar één idee in hun kop. Er wordt een bisschop uit het raam gegooid, en een giraffe, en een man doodt zijn kind om een of andere kleine ongehoorzaamheid. Het eindigt met een orgie waar Christus aan blijkt te hebben deelgenomen; dat was vooral waarom de film verboden werd.

De uitwerking die deze beelden in 1930 moet hebben gehad is niet meer voorstelbaar. Een van de grootste raadsels achteraf is hoe Buñuel een dergelijke film in die tijd gefinancierd kon krijgen; het antwoord is dat alles werd betaald door de Vicomte de Noailles, voor wiens principes je nog meer respect krijgt als je leest dat hij de film nog dapper in het openbaar heeft geprezen nadat de Jockey Club hem er om geroyeerd had. Ook het prestige dat het lidmaatschap van deze club verleende is trouwens allang onbegrijpelijk geworden; enkele passages in het werk van Marcel Proust geven er een idee van.

Wat toen in alles de rol van dynamiet vervulde was religie, en zo is het eigenlijk nog. Er was en is goedbeschouwd niets ter wereld waar de mensen zich tot zulke razernij door laten opzwepen als het geloof. Ook verwijzingen naar de seksualiteit zijn daar ondergeschikt aan; dat was vermoedelijk ook wat Buñuel met deze film wilde laten zien: zonder religie is er op erotisch gebied alleen maar vrijheid en onschuld, het geloof bezoedelt alles.

‘Ik ben Atheïst, Godzijdank,’ luidde een uitroep van Buñuel, maar daarmee drukte hij eigenlijk niet veel meer dan een intentie uit. Het geloof was hem in feite een onafgebroken kwelling, die hem voortdurend aanzette tot het bedenken van uitdagingen, ‘theologische gags’, zoals Max Aub ze noemt (in Uren met Buñuel, Meulenhoff 1989), d.w.z. religieuze visioenen annex pogingen tot heiligschennis. Een verhaal dat mij altijd is bijgebleven is dat Buñuel in Mexico de gewoonte had om dagelijks naar de Mis te gaan en hosties mee naar huis te nemen. Die gooide hij dan in een kooi met krekels, roepend: ‘Zing dan, Hostie, zing dan, als je nog durft!’

Dit verhaal is vermoedelijk apocrief, maar on ne prête qu’aux riches, het illustreert op onnavolgbare wijze Buñuels geest, doortrokken van een, voor iemand met een Protestantse opvoeding zoals ik, ondoorgrondelijk Rooms-Katholisicme. Wat Buñuel in staat stelde om daarmee enkele van de grootste films van alle tijden te maken was het Surrealisme, dat ik nog altijd beschouw als een van de meest indrukwekkende intellectuele doorbraken van de vorige eeuw.

 

Rudy Kousbroek

 

‘Zing dan, Hostie!’ uit Opgespoorde wonderen. De fotosyntheses verzameld, Uitgeverij Augustus, Amsterdam/Antwerpen, 2003, blz. 162

Met dank aan Uitgeverij Atlas Contact (Janine Sloof)