Sabzian

John Berger: Het koor in ons hoofd

15/02/2017
Sabzian
PRINTER-FRIENDLY VERSION

 

Ik kan me niets idioters voorstellen dan zeggen dat hij als een engel was. Een engel geschilderd door Cosimo Tura? [1] Neen. Al bestaat er een Sint-Joris van Tura die zijn sprekende gelijkenis is! Hij verafschuwde officiële heiligen en gelukzalige engelen. Waarom dan zoiets zeggen? Omdat het immense verdriet dat hij met zich meetorste hem toeliet om grappen te vertellen en omdat de blik op zijn bedroefde gezicht een gelach verspreidde dat steeds precies inschatte wie daar het meest behoefte aan had. En hoe intiemer zijn aanraking, hoe lucider die werd! Hij kon mensen toefluisteren over het slechtste wat hen overkwam en hun lijden alsnog verzachten. “… want we wanhopen nooit zonder een klein beetje hoop.” “Nulla disperazione senza un po’ di sperànza.” – Pier Paolo Pasolini (1922-1975). 

Ik denk dat hij aan veel zaken bij zichzelf twijfelde, maar nooit aan zijn profetische gave, die misschien het enige was waaraan hij graag getwijfeld had. Toch komt hij ons, profetisch, te hulp gesneld in wat we vandaag beleven. Ik keek net een film die in 1963 gemaakt werd. Verbazend genoeg werd hij nooit openbaar vertoond. Als een spreekwoordelijke boodschap in een fles spoelt hij veertig jaar later aan op ons strand.

In die tijd vormden veel mensen hun wereldbeeld niet door naar het televisiejournaal te kijken maar door de weekverslagen in de cinema te volgen. In 1962 had een Italiaanse producent van deze nieuwsberichten, G. Ferranti, een lumineus idee. Hij zou de toen al beruchte Pasolini toegang geven tot de nieuwsarchieven van 1945 tot 1962, om een antwoord te bieden op de vraag waarom er overal ter wereld gevreesd werd voor een oorlog. Hij mocht zelf bepalen welk materiaal hij zou monteren en er een voice-over bij schrijven. Hopend op een heropleving van zijn nieuwsbedrijf, rekende Ferranti op het actuele van de vraag: de vrees voor een nieuwe wereldoorlog was op dat moment inderdaad wijdverspreid. De raketcrisis tussen Cuba, de VS en de Sovjet-Unie dateert van oktober 1962.

Pasolini, die ondertussen al Accattone, Mama Roma en La Ricotta had gemaakt, accepteerde het aanbod om zijn eigen redenen – verliefd op en in oorlog met de geschiedenis. Hij maakte de film en noemde hem La Rabbia [Rage]. [2]

Toen de producenten de film zagen, kregen ze koudwatervrees en drongen erop aan dat een tweede filmmaker, de notoire rechtse journalist Giovanni Guareschi, een tweede deel zou maken en dat de twee films achteraf als één gepresenteerd zouden worden. Uiteindelijk werd geen van beide films uitgezonden.

La Rabbia is, naar mijn mening, een film geïnspireerd door een woest gevoel voor volharding, niet door woede. Pasolini kijkt met een vastbesloten, lucide blik naar wat er in de wereld gebeurt. (Er zijn engelen, getekend door Rembrandt, met dezelfde blik.) Dat doet hij omdat de realiteit alles is wat we hebben om van te houden. Er is niets anders. Zijn afwijzing van de hypocrisie, de halve waarheden en de pretenties van de hebzuchtigen en de machthebbers is totaal, omdat zij onwetendheid kweken en koesteren – een vorm van blindheid voor de realiteit. Ook omdat ze schijten op het geheugen, inclusief dat van de taal, dat ons eerste erfgoed is.

Toch viel de realiteit die hij liefhad niet zomaar te onderschrijven, aangezien die op dat moment een te diepe historische teleurstelling uitdrukte. De oude, na de val van het fascisme in 1945 ontluikende verwachtingen waren verraden. De Sovjet-Unie was Hongarije binnengevallen. Frankrijk was zijn laffe oorlog tegen Algerije begonnen. Het onafhankelijk worden van de voormalige Afrikaanse kolonies was een macabere schertsvertoning gebleken. Lumumba was vermoord door de marionetten van de CIA. Het neokapitalisme bereidde zijn wereldwijde machtsovername al voor.

En toch, ondanks dit alles, was de nalatenschap veel te kostbaar en te moeilijk los te laten. Of anders gezegd: de onuitgesproken, alomtegenwoordige eisen van de realiteit konden onmogelijk genegeerd worden. De eis die lag in de wijze waarop een sjaal gedragen werd. Het gezicht van een jonge man. In een straat vol mensen die minder onrechtvaardigheid eisten. In de lach van hun verwachtingen en de stoutmoedigheid van hun grappen. Hieruit ontstond zijn woede vol volharding. Pasolini’s antwoord op de aanvankelijke vraag was simpel: de klassenstrijd verklaart de oorlog. De film eindigt met een imaginaire monoloog van Yuri Gagarin, nadat hij de planeet vanuit de ruimte heeft gezien, waarin hij opmerkt dat alle mensen, van op die afstand, broeders zijn die zich zouden moeten distantiëren van de bloederige praktijken op deze planeet. 

In wezen echter gaat de film over ervaringen die zowel door de vraag als door het antwoord genegeerd worden. Over de koude van de winter voor de daklozen. Over de warmte die het herdenken van revolutionaire helden kan bieden, over de onverzoenlijkheid van vrijheid en haat, over de volkse flair van paus Johannes XXIII, wiens ogen glimlachen als een schildpad, over de fouten van Stalin die eigenlijk de onze waren, over de duivelse verleiding om te denken dat elke strijd voorbij is, over de dood van Marilyn Monroe en hoe schoonheid alles is wat overblijft van de domheid uit het verleden en de wreedheid uit de toekomst, over hoe Natuur en Rijkdom in de ogen van de bezittende klassen één en hetzelfde zijn, over onze moeders en hun erfelijke tranen, over de kinderen van kinderen van kinderen, over de onrechtvaardigheden die zelfs op de nobelste overwinning volgen, over de lichte paniek in de ogen van Sophia Loren terwijl ze de handen van een visser een paling ziet opensnijden… 

De commentaar boven de zwart-witfilm is ingesproken door twee anonieme stemmen die eigenlijk de stemmen van twee van zijn vrienden zijn: de schilder Renato Guttuso en de schrijver Giorgio Bassani. De een klinkt als de stem van een urgente commentator en de ander als de stem van iemand die half historicus is en half poëet, een waarzeggersstem. Tot de voornaamste behandelde nieuwsfeiten behoren de Hongaarse Revolutie van 1956, Eisenhower die zich voor de tweede keer kandidaat stelt om president te worden, de kroning van koningin Elizabeth en Castro’s overwinning in Cuba.

De eerste stem informeert ons en de tweede stem herinnert ons. Waaraan? Niet bepaald aan wat we vergeten zijn (het is sluwer dan dat), eerder aan wat we verkozen hebben te vergeten, en zulke keuzes gaan vaak terug tot de kindertijd. Pasolini vergat niets uit zijn kindertijd – vandaar de constante co-existentie van wat hij zoekt in pijn en plezier. We worden overgehaald ons te schamen voor onze vergetelheid.

De twee stemmen functioneren als een Grieks koor. Ze kunnen de uitkomst van wat er getoond wordt niet beïnvloeden. Ze interpreteren niet. Ze bevragen, luisteren, observeren en geven dan een stem aan wat de kijker al dan niet latent kan voelen.

En dat bereiken ze doordat ze zich bewust zijn van het feit dat de taal die de acteurs, het koor en de kijker delen een arsenaal aan eeuwenoude gemeenschappelijke ervaring is. De taal zelf is medeplichtig aan onze reacties. Ze kan niet bedot worden. De stemmen spreken zich uit, niet om een discussie te bezegelen, maar omdat het schandalig zou zijn, gezien de langdurigheid van de menselijke ervaring en pijn, als wat ze te zeggen hadden niet gezegd zou worden. Als het onuitgesproken bleef, zou de mogelijkheid tot mens-zijn lichtjes verkleind worden. 

In het oude Griekenland bestond het koor niet uit acteurs, maar uit mannelijke burgers, jaarlijks uitgekozen door de koormeester, de choragus. Zij vertegenwoordigden de stad en kwamen van de agora, het forum. Als koor werden ze de stemmen van verschillende generaties. Als ze spraken over wat het publiek al had herkend, waren ze grootouders. Als ze een stem gaven aan wat het publiek al voelde maar nog niet kon benoemen, waren ze ongeboren kinderen.

Pasolini klaart dit alles met zijn twee stemmen terwijl hij, woedend, schrijdt tussen de oude wereld die met de laatste boer zal verdwijnen en de toekomstige wereld van woeste berekening.

Op verschillende momenten herinnert de film ons aan de limieten van de rationele verklaring en aan de frequente vulgariteit van termen als optimisme en pessimisme.

De beste breinen van Europa en de VS, kondigt hij aan, geven een theoretische verklaring voor wat het betekent te sterven (vechtend aan de zijde van Castro) in Cuba. Maar wat het echt betekent te sterven in Cuba – of Napels of Sevilla – kan enkel verteld worden met medelijden, in het licht van een lied en in het licht van tranen.

Op een ander moment stelt hij voor dat we allemaal dromen van het recht om te zijn zoals sommige van onze voorouders waren! En voegt dan toe: enkel revolutie kan het verleden redden.

La Rabbia is een film van liefde. En toch is zijn luciditeit vergelijkbaar met die in Kafka’s aforisme: “Het Goede is, in zekere zin, troosteloos.

Dat is waarom Pasolini als een engel was.

De film duurt slechts een uur – een uur dat veertig jaar geleden werd bedacht, afgemeten en gemonteerd. En het staat in zo’n contrast met de nieuwsverslagen die we bekijken en de informatie die ons nu gevoed wordt dat, als het uur voorbij is, je tegen jezelf zegt dat vandaag niet enkel dieren- en plantensoorten verwoest of uitgeroeid worden, maar ook de ene na de andere menselijke prioriteit. Die laatste worden systematisch besproeid – niet met pesticiden, maar met ethiciden: middelen die ethiek doden, en daarmee elke notie van geschiedenis en rechtvaardigheid.

In het bijzonder wordt er gemikt op die prioriteiten die geëvolueerd zijn uit de menselijke behoefte aan delen, nalaten, troosten, rouwen en hopen. En de ethiciden worden dag en nacht gesproeid door de massamedia. 

De ethiciden zijn misschien minder effectief en minder snel dan de machthebbers gehoopt hadden, maar ze zijn erin geslaagd de verbeeldingsruimte die elk centraal publiek forum voorstelt en nodig heeft te begraven en toe te dekken. (Onze fora zijn overal, maar momenteel zijn ze marginaal.) En op het braakland van de toegedekte fora (dat herinnert aan het braakland waarop hij vermoord werd door de fascisten) vervoegt Pasolini ons met La Rabbia, en zijn volhardende voorbeeld van hoe het koor in ons hoofd te dragen.

 

-------

 

[1] Cosimo Tura was een Italiaanse schilder die leefde en werkte in het vijftiende-eeuwse Ferrara. (toegevoegd door vertaler)

[2] La Rabbia. Geproduceerd door Gastone Ferranti (OPUS Film), Galata presentation, 1963.

 

-------

 

Deze tekst werd in het Engels gepubliceerd in Hold Everything Dear: Dispatches on Survival and Resistance in juni 2006 en verscheen in Vertigo vol. 3, nr. 3 in de herfst van 2006. In augustus dat jaar werd de tekst in het Frans gepubliceerd in Le Monde Diplomatique. Deze vertaling leunt op de drie versies.

Vertaald door Quinten Wyns 

Met dank aan Elke Mahieu