article NL
18.10.2016
Dogville, grootse film over kleinzielige mensen

Meer dan tien jaar geleden zorgde filosoof en auteur Frank Vande Veire met zijn pamflet I Love Art, You Love Art, We All Love Art, This is Love voor heel wat commotie binnen de kunstwereld. Als vervolg op het debat vroeg De Morgen Vande Veire om een stuk te schrijven over het kunstwerk dat hem in 2003 het meest had aangesproken. Vande Veire koos verrassend voor de film Dogville van Lars von Trier. De hier gepresenteerde tekst verscheen oorspronkelijk in De Morgen op 10 januari 2004. Een kleine waarschuwing voor hen die Dogville (Lars Von Trier, 2003) nog niet gezien hebben: onderstaande tekst van Frank Vande Veire verklapt het einde van de film.  

(1) Dogville (Lars von Trier, 2003)

Als De Morgen mij uitnodigt om iets te schrijven over het kunstwerk dat mij het voorbije jaar het meest aansprak, is dat misschien omdat ze mij wil afhelpen van het imago van iemand die zich over de kunstwereld alleen maar ergert. Alsof ze me wil helpen bewijzen dat ik toch ook nog door iets geraakt word. Ik apprecieer deze uitnodiging, maar wil er meteen wel aan toevoegen dat ik in mijn ‘pamflet over de kunstwereld’ helemaal niet heb gesuggereerd dat er tegenwoordig geen sterke kunst meer wordt gemaakt.

Het kunstwerk dat me in het voorbije jaar het meest overhoop heeft gegooid, is een film, meer bepaald Dogville van de Deense regisseur Lars von Trier. Voor de duidelijkheid: ik was nooit een fan van von Trier en begreep destijds niets van de heisa omtrent zijn Breaking the Waves. Daarentegen kan ik me geen serieus mens voorstellen die onverschillig blijft bij Dogville. Waarom? Omdat deze film op een duizelingwekkende manier een moreel probleem aan de orde stelt waarvan niemand kan zeggen dat hij er buiten staat, vooral omdat juist de positie van de weldenkende buitenstaander hier de meest onhoudbare blijkt.

Dogville is een piepklein dorpje gelegen aan het einde van een weg die doodloopt op de Rocky Mountains. De handeling speelt zich af in de jaren dertig van de vorige eeuw, een tijd van economische depressie, armoede, ontworteling. De inwoners van Dogville worden volledig opgeslorpt door hun dagelijkse beslommeringen. Ze slaan er zich door, veel meer kun je niet zeggen. Ze hebben in elk geval geen boodschap aan de ‘wereld’. In de beginscène van de film horen we even een stem op de radio: “Ladies and Gentlemen ... the president of the United States”, maar de knop wordt meteen omgedraaid ten gunste van een gezapig deuntje. Verder horen of zien we niets dat zich niet in Dogville zelf afspeelt.

De enige die vindt dat de mensen in Dogville iets wezenlijks missen is Tom, een vrijgezel die bij zijn vader, een dokter in ruste, inwoont. Hij droomt ervan boeken te schrijven die voor de mensheid de weg openen naar een meer hoogstaand leven, ook al heeft hij vooralsnog geen letter op papier gekregen. Voorlopig beperkt hij zich ertoe voor zijn dorpsgenoten elke week een samenkomst te organiseren waarin hij, zij het nogal ongeïnspireerd en stuitend op wrevel, thema’s van algemeen menselijk belang aansnijdt. Tom wil zijn medeburgers er vooral van overtuigen dat zij een gebrek hebben aan ‘acceptance’, wat zoiets betekent als gastvrijheid waarbij men de ander aanvaardt, hoe anders hij ook is. De waarde van die gastvrijheid kan natuurlijk alleen blijken indien zich een vreemdeling in het geïsoleerde dorp zou aandienen. Zo iemand zou echt een ‘gift’ zijn voor Dogville, mijmert Tom aan het begin van de film.

Welnu, diezelfde dag nog krijgt Tom wat hij wil. Dreigend aangekondigd door een paar geweerschoten belandt er ’s avonds in het dorp een jonge vrouw die kennelijk op de vlucht is. Tom raadt haar af haar vlucht voort te zetten langs het levensgevaarlijke bergpad en stelt haar voor in het dorp te overnachten. Als diezelfde avond nog enkele geblindeerde wagens Dogville aandoen, liegt Tom tegen een geheimzinnige man in een van de wagens dat hij niets ongewoons heeft bemerkt. Hij weet wat hij doet: aangezien voor ’s anderendaags een samenkomst is belegd, kan hij Grace, zo heet de vrouw, aan de dorpelingen voorstellen. Eindelijk krijgt hij de kans te ‘illustreren’ (zijn woord) wat ‘acceptance’ werkelijk betekent!

De dorpelingen zijn uiteraard achterdochtig. Maar uiteindelijk ‘accepteren’ ze Grace, hoewel verre van onvoorwaardelijk. Ze krijgt twee weken om te bewijzen dat ze hun gastvrijheid waard is. Doordat ze een bijzonder aimabel persoon is en zich bereid toont allerlei karweitjes op te knappen, wordt ze aanvaard. Ook nadat ze geslaagd is voor de ‘test’ blijft Grace zich uitsloven en wint ze het vertrouwen van de dorpelingen. Ze wint zelfs meer, ze wint hun diepe genegenheid en, zeg maar, hun liefde. Zij blijkt voor het dorp een ware ‘gift’: een godsgeschenk.

Toch voelt de toeschouwer ook als alles nog goed gaat reeds een dreiging. Er is ten eerste iets misselijks aan de test die Grace moet ondergaan. Vervolgens moet Grace hard werken om klusjes op te knappen die nauwelijks van nut zijn en waarvoor ze belachelijk weinig betaald wordt. De dorpelingen maken zich natuurlijk wijs dat het om een billijke deal gaat: in ruil voor het risico dat zij nemen door Grace in Dogville te laten verblijven (ze wordt gezocht door maffia én politie), moet ze zich voor hen uitsloven. In werkelijkheid is zij volledig aan de goodwill van de dorpsbewoners overgeleverd.

De vraag blijft waarom de dorpsbewoners zich vanaf een bepaald moment en bloc tegen de zachtaardige Grace keren. Ze houden immers van Grace en hebben daar alle redenen toe: zij is niet slechts behulpzaam, maar ook onbevangen, grootmoedig, begrijpend. Maar iets in hun liefde voor haar is voor henzelf ondraaglijk. Grace belichaamt iets dat mooier, grootser, zuiverder is dan zijzelf, en als ze maar even met haar ogen naar zichzelf kijken, dan zien ze alleen miezerigheid, kleinzieligheid. Deze ‘mooie vluchtelinge’ mag wel doen alsof het voor haar een gunst is iemand van hen te zijn, maar is dat niet ongeloofwaardig? Grace kan wel goed zijn, maar niets wijst erop dat ze zo stom is in hun goedheid te geloven. Is haar liefde dus wel echt? Is haar liefde wel meer dan een uit de hand gelopen exotisme? Kan die liefde meer zijn dan het sentiment van een toeriste die zich laat ontroeren door ‘de eenvoud van ruige, maar goedaardige lui’? En blijft Grace dus, ook al is haar situatie misschien weinig te benijden, geen al te comfortabele buitenstaander?

Of de liefde van Grace wel echt is, of zij echt zo diep gelooft dat zij ‘in de grond goedaardige’ zielen zijn, dat kunnen de dorpelingen niet te weten komen door even beminnelijk te zijn als zij, maar door haar te kwellen. En dat doen ze, steeds grondiger. Om een lang verhaal (de film duurt drie uur) kort te maken: het begint ermee dat men Grace kleine foutjes absurd zwaar aanwrijft en dat ze dubbel zo hard moet werken voor nog minder geld; het eindigt ermee dat alle mannen van dit nogal puriteinse dorp onbeperkt hun lusten botvieren op Grace, en dat zij, na een mislukte ontsnappingspoging, met een ijzeren halsband aan een keten wordt gelegd die vastzit aan een zwaar karrenwiel, zodat ontsnappen uitgesloten is en de minste verplaatsing haar een zware inspanning kost.

Tot het einde toe beweert Tom, onze plaatselijke filosoof-humanist en uiteraard stapelverliefd op Grace, al het mogelijke voor haar te doen en zijn dorpsgenoten met alle middelen ‘acceptance’ bij te brengen. Maar uiteindelijk weet hij niet beter dan haar te verraden aan de maffiabaas van wie hij aan het begin van film het telefoonnummer kreeg, dit uiteraard in het belang van de gemeenschap waarmee Grace toch ook het beste voorheeft? Het einde is apocalyptisch. De twee geblindeerde wagens van in het begin van de film rijden het nachtelijke Dogville binnen. Mannen met machinegeweren stappen uit. Ze bevrijden Grace en inviteren haar in een van de wagens te stappen. Als de deur van de wagen achter ons dichtvalt, zitten we plots in een totaal andere wereld: de maffiabaas blijkt Graces vader te zijn. Hij wil haar tot niets dwingen, zegt hij, maar wil na al die tijd wel eens weten waarom zijn dochter hem in zijn laatste gesprek ‘arrogant’ noemde, want volgens hem is zij juist arrogant. Waarom? Omdat zij zo begrijpend is. Zij vergeeft mensen omdat zij volgens haar door de omstandigheden niet de kans krijgen om tot een serieus moreel niveau op te klimmen. Daarmee pleit zij hen bij voorbaat vrij van alle schuld, en dat is nu juist zo neerbuigend, zo paternalistisch. Dat kun je eigenlijk enkel doen met kleine kinderen en dieren. Het is hoogmoedig van Grace als zij de hoge morele normen die zij aan zichzelf stelt op de anderen niet van toepassing acht.

Die harde kritiek van de maffiabaas op zijn dochter is duidelijk moraal-theologisch van aard: hij verwijt zijn dochter eigenlijk dat zij haar naam al te zeer eer aan doet: grace, genade. In zijn ogen is zij op een gevaarlijke manier christelijk. Immers: in naam van een genadevolle liefde schort zij het domein van wet en straf op en geeft zo vrij spel aan het lage, hondachtige in de mens. Dit is niet slecht gezien, hoewel de toeschouwer vermoedt dat er toch iets helemaal mis is met deze ‘waarheid’ als ze uit de mond komt van een godfather van wie we weten op welke manier hij pleegt om te gaan met ‘hondenmensen’. Maar wat de vader niet kan voorzien is een ander soort hondachtigheid waar zijn zachtmoedige dochter blijk van geeft zodra hij zich bereid toont zijn macht met haar te delen. Zij vraagt hem dat hij zijn knechten de opdracht geeft het hele dorp plat te branden en iedereen neer te schieten. En aldus geschiedt.

Apocalyptisch inderdaad – in de letterlijke zin: ontsluierend, revelerend. Wat gebeurt, is verbijsterend, maar mag ons toch niet verwonderen. Grace staat, in naam van haar principiële liefde voor hun ‘zwakke’ menselijkheid, de Dogvillers toe dat ze zich tegenover haar steeds beestachtiger gedragen. Maar waarom zou zij niet, op een even ongegronde, grillige manier als zij genadevol was, genadeloos kunnen zijn, omdat zij plotseling vindt dat het nu wel genoeg is, dat deze mensen haar genade niet waard zijn, wat zij hoe dan ook nooit waren omdat de genade zich niet om waardigheid bekommert.

Waarom is deze film grote kunst? Op het eerste gezicht omdat hij op een strenge en lucide manier sociale mechanismen blootlegt, met name het onvermogen van mensen om om te gaan met een vreemdelinge in wie zij, zonder te weten wat het is, het beste van zichzelf herkennen, maar ook het onmogelijkste. De Dogvillers kunnen slechts omgaan met de buitengewone gift die Grace is door haar sadistisch te laten voelen dat zij voor hen niets betekent, hoewel zij met hun hardnekkige wreedheid ondanks zichzelf verraden dat zij voor hen alles is.

Maar de film zegt niet zomaar iets over hoe boosaardig een groep mensen kan zijn en misschien altijd is, hij zegt ook iets over onze blik daarop. Die blik heeft iets kil-afstandelijks en hooghartigs. De film construeert die blik. Hij doet ons op een welbepaalde manier naar een dorp kijken. Van Dogville toont Von Trier niet meer dan witte lijnen op de grond die de omtrek van de huizen aanduiden. Door het oog van de camera zien we door de muren heen de dorpelingen zitten, liggen of rondwroeten. Ze lijken insectachtige exemplaren, onderworpen aan een experiment: het gift-experiment, het Grace-experiment. Ons oog wordt verder door niets afgeleid: niet door pittoreske huizen of panoramische uitzichten.

Afstand schept ook de verteller. De bezadigde, laconieke toon waarmee hij de kleinzieligheid van de dorpelingen en de interne logica van hun wreedheid in negen hoofdstukken schetst, is vernietigend-ironisch. Als hij de dorpelingen aan het begin voorstelt als ‘good, honest folks’ weet je meteen dat de gruwel niet ver is.

De wijze waarop de film onze blik op Dogville richt, is niet expliciet moraliserend, maar wel genadeloos. We zien het kraakhelder gebeuren tussen de lijnen; het wordt door de verteller droogweg uit de doeken gedaan: de Dogvillers zijn honden die het niet kunnen laten het goede dat hun gratis wordt geschonken te kwellen, te verkrachten, te vernederen. En dit is het ontstellende: Graces genadeloze finale oordeel, namelijk ‘dat de wereld beter af is zonder dorpen als Dogville’ en dat dat dorp samen met zijn bewoners dus het best van de kaart zou worden geveegd; dat oordeel is allang dat van de toeschouwer wanneer hij getuige is van de slachting. Daarom ziet hij de slachting wezenloos aan, dat wil zeggen weliswaar zonder bewuste instemming, maar ook zonder afgrijzen.

De film Dogville is grote kunst omdat hij niet zomaar mensen laat zien en hun verhaal vertelt, maar tevens reflecteert over het kijk- en verhaalapparaat dat film zelf is. Dat apparaat is vaak dat van de moraliserende buitenstaander, de buitenstaander die oordeelt vanuit een maagdelijke verontwaardiging: ‘hoe kunnen mensen in godsnaam zo zijn?’ Welnu: het apocalyptische einde reveleert de (potentiële) wreedheid van die positie. Net zoals er iets pervers blijkt te zijn aan de oneindige vergevensgezindheid van Grace sluimert er iets pervers in de toeschouwer die, in naam van Graces goedheid, neerkijkt op de Dogvillers.

Was het geen zeer populair argument voor de massale deportatie van de joden dat ze Christus hadden vermoord? Wie zich identificeert met de vermoorde onschuld – en de media nodigen ons onophoudelijk uit om dat te doen – is in staat tot het ergste. Dogville maakt zo’n identificatie onmogelijk door de onschuld zelf een bescheiden genocide te laten plegen.

(2) Dogville (Lars von Trier, 2003)(3) Dogville (Lars von Trier, 2003)(4) Dogville (Lars von Trier, 2003)(5) Dogville (Lars von Trier, 2003)

Beelden (1), (2), (3), (4) en (5) uit Dogville (Lars von Trier, 2003)